[f. 25 r°] [XIII] REFREYN
- SWijgen dat wert voort meer mijn spreken,
- so dat ic in drucke mijn leuen moet leyen;
- mijn troost is verkeert, mijn herts in brekinge,
- moyte is mijn rust, mijn rust is pleyen, vs. 4
- 5
- mijn vruecht is druck, mijn lachen is schreyen,
- lieuer steruen dan deruen is mijnen cry.
- onghenadighe fortune, v seg ic tfy
- duert deruen der liefster, herder dan keyen,
- gheen schoonder, playsanter, verre noch by.
- 10
- mocht ic int gebruycken van lieue wesen vry,
|
vs. 4 pleyen: tobben, zwoegen (Ndl. Wdb. XII, 2512).
|
[p. 34]
-
- so sou tdruckich herte wat sijn te vreden
- dat metten sweerde des lidens is doorreden,
- dies mi te seggen staet tallen hueren
- in gehuchten, in dorpen ende in steden:
- 15
- sou ic niet trueren, ten mach mi niet gebueren.
-
- Niet sonder haer, die int herte vercoren is,
- want si vol alder duechden is blinckende.
- al is dat minen arbeyt al verloren is,
- therte vol trouwen ben ic haer schinckende,
- 20
- meer gallen dan honich in liefden drinckende,
- wantet is een oneyntelike pine
- [f. 25 v°] minnen ende niet ghemint te sine.
- wanneer ic dit ben ouerdinckende,
- dat ic moet deruen die rosemarine,
- 25
- den dranc van liefde smaect mi bitter as brine, vs. 25
- des mijn vruecht met drucke moet gequelt zijn;
- mijn iuecht verdwijnt als rijsers die geschelt zijn, vs. 27
- vermanende noch in besloten mueren
- dees keerne moet van mi dus gepelt sijn: vs. 29
- 30
- sou ic niet trueren, ten mach mi niet gebueren.
-
- Duer tderuen van lieue so ben ic clagende,
- dies bloedighe traenkens mijn ooghen leken. vs. 32
- tderuen van lieue is mi mishagende,
- dies wil mi van rouwe therte breken.
- 35
- duert deruen van lieue van weke tot weken
- ga ic in drucke mijn leuen eruen, vs. 36
- dus moet ic baden in druckigen beken,
- gheenen troost van haer mach ic verweruen.
- liden en druc mijn herte duerkeruen,
- 40
- mijn sinnekens worden geheel ontpast, vs. 40
- nochtans sal ic altijt bliuen in trouwen vast
- ghestadich sonder eenich sueren, vs. 42
- verdragende pacientelic desen last
- [f. 26 r°] sou ic niet trueren, ten mach mi niet gebueren.
|
vs. 25 bitter als brine: thans spreekt men alleen van ‘zout als brijn’; vgl. Ndl. Wdb. III, 1360 vg., en zie nog XIV, 30 en XV, 13.
vs. 27 verdwijnt: verwelkt. - rijsers: meerv. van rijs, tak; vgl. voor de beeldspraak ABN. IX, b, 13/14: ‘Als boomen gepeldt, vander schorsen onscheldt, Moet mijn vruecht verdooren’.
vs. 32 leken: in het Mnl. soms ook transitief.
vs. 40 ontpast: ontsteld, ontzet, in de war gebracht; vgl. II, 56.
vs. 42 sonder... sueren: zonder dat het mij te veel wordt.
|
[p. 35]
-
-
- Princesse
- 45
- M ijn alder vercorenste vrouwe,
- A l en mach ic v nemmermeer comen omtrent
- R eyn bloeme, ic v voor die liefste houwe.
- G heen schoonder vrouwe is mi bekent,
- A en v is mijn herte so vast gheprent, vs. 49
- 50
- R ustende so onder v liefde machtich,
- I n liefden ghetrouwe bliuic waerachtich,
- T hoont v genade, v liefde te miwaert went,
- A ltijt vindi mijn liefde crachtich;
- al ist dat ic nv moet vallen clachtich
- 55
- duert deruen mijns liefs, dat moet sijn bequolen, vs. 55
- suchten en weenen wert mi beuolen,
- van drucke so moet ic mijn herte schueren;
- dus scriuic hem die comen tot Venus scholen:
- sou ic niet trueren, ten mach mi niet gebueren.
|
|