|
* 2. dierkens, S.: dieren.
4. S.: Alsoe tcruyt lof gras bloemen nemen verganc. 5. boomkens, S.: louerkens; HA.: bloemkens. 7. inwendighe, S.: wtwendighe. 10. blijdtschap, S.: vruecht; spruten: gespruten. 11. oft (2), S.: en. | |
[XIV] REFREYN
|
vs. 3 in muten: weggekropen, stil; vgl. ABN, XXVI, d, 14.
vs. 5 ontdect: ontbladerd.
vs. 6 bedwanc: de ‘winterboei’.
vs. 7/8 conduten: kanalen; vgl. ABN. XXXIX, g, 9/10, waar precies dezelfde wending voorkomt: ‘mijn conduten Van groter droefheyt stoppen en sluten’, en b.v. nog Euang. v. d. spinr. E ijr °. - stoppen: intr., ophouden te vloeien.
vs. 11 quenen: doedelzakken (Kil.); vgl. Hand. d. Amour. V 4 v°, de eenige verder nog bekende plaats.
|
|
* 15. ben ic deruende, S.: deruende proef ic. - De tweede en derde strophe bij S. in omgekeerde volgorde.
17. Onghetr. te s., S.: Ontroost v. lieue. 18. S. na smake: lust. 19. spijt, S.: leet. 20. S.: Weder slapende enz. 21. gaende, S.: steruende; dijns: ws. 25. schichte, S.: siecte. 27. leet en smeet, S.: smeet en beet. 28. Troylus, S.: amidas; also: alsooc. 30. als brocken, S.: rueck van. 31. tvleesch, been, S.: beenen, vleijsch. 35. dies, S.: die ic. 36. ontbr. bij S. 37. met, S.: aen een. 39. te-huys, S.: vrienden laten. vs. 14 verdwijne: verkwijn.
vs. 26 Florencius: wie dit is heb ik niet kunnen uitmaken; vermoedelijk wel dezelfde waarvan S. CLXXIV, 18 gezegd wordt: ‘Dat florentius van synen broeder schiet / tdeerde hem, mer meer van Mereanen’.
vs. 27 Euax: een der personen uit den Roman van Limborch (ook als volksboek bekend); hij was verliefd op koningin Sibille van Arragon en werd waanzinnig toen hij geen wederliefde vond.
vs. 28 Troylus: vgl. VII, 35.
vs. 31 verdwinende: (transit.!) verterende.
vs. 33 verstrangen: kommer, ellende.
vs. 38 gangen: manier van doen, handelwijze. - van trouwe onreene: contaminatie der gedachte: trouweloos eerloos, en dus onrein, gemeen.
|
[twee houtsneden naast elkaar] |
* Na 41 bij S.: Tis pyne al en vondmen anders gheene die gaet ten beene gelyck den steene om verdraghen swaer 42 Datmen te bedde leijt cranck seuen iaer.
43. en ontbr. bij S. 48. dinck, S.: euel. 50. S. voor reden: geen; bekinnen: kinnene. 51. confoort, S.: troosst. 52. vrouwe ontbr. bij S. 53. siluer, S.: noch s. 54. siet, S. wacht. vs. 54 al ianckende: als een ‘Venusjanker’ (vgl. XII, 14).
|