|
*
|
* 1. ic, ABN.: ic als; machte: crachte, v. machte. 4. ghesont, ABN.: ghesonde. 5. ABN.: Dat mij elck solaes dede bij dage, bij nachte. De var. ald. komt overeen met onzen tekst.
|
[f. 28 r°] [XV] REFREYN
- AL waer ic Karolus magnus van machte,
- van elcken verheuen, die grootste gheachte;
- al had ic al den schat die ic mocht begeeren,
- ghesont, weluarende, eedel van geslachte,
- 5
- en dat mi elckerlijc solaes bi brachte, vs. 5
- tis al niet moet ic wat liefs ontberen,
|
vs. 5 solaes bi brachte: vreugde, genot verschafte.
|
[p. 38]
-
- *
- want tderuen van lieue alle vruecht can weeren,
- thooft moet sweeren duer sulc gheneeren, vs. 8
- oorcont den gheenen diet oyt gheproeft heeft; vs. 9
- 10
- therte schijnt duersteken met duysent speeren,
- tmach hem wel deeren die dbloet moet verteeren
- duert deruen van lieue dat menighen bedroeft heeft,
- tderuen van lieue is souter dan brijne. vs. 13
- om dat mi liefs deruen ooc qualic getooft heeft, vs. 14
- 15
- so mach ic wel seggen met droeuen schijne: vs. 15
- liefs deruen is grote pijne.
-
- Al mochtick houeren, eeten of drincken,
- al waerder alle vruecht diemen mocht bedincken,
- tamboreynen, velen, herpen en luten,
- 20
- gheen speelen en machmen in dooren clincken,
- [f. 28 v°] mer alle ghenuechte die dunct mi stincken,
- wt mi en can gheen blijdtschap spruten.
- tderuen van lieue doet mi therte sluten,
- vruecht blijfter buten. al hoordic wten
- 25
- constige woordekens van rethoriken soet,
- refreynen, baladen oft ander cluten, vs. 26
- ic bliue in muten, ten baet gheen fluten vs. 27
- oft sueten sanc der eedeler musiken goet:
- liefs deruen na lief altijt om kiken doet,
- 30
- want tis quaet langhe van lieue te sijne.
- duert deruen van lieue therte beswiken moet,
- dus seggic noch eens te desen termijne:
- want liefs deruen is grote pijne. vs. 33
-
- Al ben ic bi geselscap lustich int aenscouwen
|
* 8. ABN. na moet: mi; sulc zelcken. 9. oyt, ABN.: ooc. 11. die dbloet, ABN.: Zijn bloedt, v. Die zijn. 14. getooft, ABN. en HA.: getoeft. 15. schijne, ABN.: aenschijne. 16. Liefs, ABN.: wat liefs te (evenzoo in de volgg. stokregels). 17. of, ABN.: ende. 19. tamb., ABN.: Tamboeren. 20. speelen, ABN.: spel. 22. spruten, ABN.: gespruten. 25. van, ABN.: der, v van. 27. bliue, ABN.: bleve. 34. ben, ABN.: waer; lustich enz.: genoodt uut trouwen. De var. komt overeen met onzen tekst.
vs. 8 sweeren: pijn doen. - gheneeren: beleven, doorstaan.
vs. 9 oorcont: getuige; vgl. V, 29.
vs. 13 souter dan brijne: vgl. XIII, 25 en nog S. XIX, 20; CCIII, 33; ABN. XLVIII, e, 14.
vs. 14 getooft (lees: getoeft): eig. onthaald; vgl. ABN. XXXVII, a, 3; LXIX, b, 15 (beide in verb. met ‘qualijc’); XLVIII, b, 5 (eig.).
vs. 15 schijne: aanschijn, gelaat.
vs. 26 cluten: hier als zeer algemeene term: stukken, gedichten.
vs. 27 in muten: vgl. XII, 21; XIV, 3.
vs. 33 want: ABN. heeft in alle strophen wat, hetwelk wel de juiste lezing zal zijn; zie ook vs. 67 bij ons, dat den stok herhaalt (tegenover vs. 50).
|
[p. 39]
-
- *
- 35
- daer vruecht hantieren mannen en vrouwen,
- altesamen en achtticx niet een haer.
- al mach ic van buten tghelaet me houwen,
- van binnen is mi therte vol rouwen,
- och, wat liefs te deruen is alte swaer.
- 40
- elc dach verwaer schijnt meer dan .m. iaer
- wanneer dalderliefste moet absent sijn;
- therte heeft anxt, vrese en vaer
- [f. 29 r°] voor sijn liefste paer, daer haket naer,
- altijt sout geerne sijnen lieue omtrent sijn.
- 45
- als twee herten vol liefden gheprent sijn,
- eendrachtelic treckende altijt een lijne,
- tsceyden van desen moet wel groot torment zijn,
- bitter als galle vol van fenijne,
- want liefs deruen is grote pijne.
-
- 50
- Want liefs deruen, gheen meerder verdriet,
- ic weet bi mi seluen wat mi is geschiet, vs. 51
- dus deruic te stouter tvonnisse gheuen. vs. 52
- wat vruechden ter werelt men hoort oft siet,
- die wat liefs moet deruen en achtes al niet,
- 55
- gheen genuechte en can daer aencleuen
- mer alle blijdtschap wert van hem verdreuen,
- suchten en beuen is al sijn leuen;
- al lacht den mont, die sinnen inwendich trueren.
|
* 37. me, HA.: inne. 38. ABN.: Mijn herte moet alle solaes verspouwen; var.: als onze tekst. 40. elc, ABN.: Elcken; m: een. 42. ABN. na heeft: dagelijcx. 43. daer, ABN.: En daer. 45. vol, ABN.: beyde vol. 47-48. De var. v. ABN. komt overeen met onzen tekst; in den tekst: Geen meerder vruecht en mach onder tfirmament zijn; Maer alsmer moet scheyden, wee van den venijne. 50-51. Als voren, alleen bij ABN. var. Wat voor Want; tekst: Liefs derven doet somtijds veel nachten waken; Ic weet bij mij zelven van deser saken. 53-54. Als voren; en achtes, ABN var.: achtet; tekst: Geen spijse ter weereldt en dunckt hem smaken. Die wat liefs moet derven, crijgt mager caken. 55. gheen, ABN.: Want geen, var. geen. 56. mer bij ABN. alleen in de var. 57. ABN. begint met Maer; niet i/d var.
vs. 52 dus mag ik er te beslister over oordeelen.
|
[p. 40]
-
- *
- alsser een bouen al is verheuen
- 60
- int herte ghescreuen, ic hebt beseuen,
- duert deruen van dien wilt therte van binnen schueren,
- altijt beslutende druc binnen dueren.
- hier teghen en is raet noch medecijne;
- al mochtmen na wat nieus om gewinnen spueren,
- 65
- [f. 29 v°] twaer onmogelic, dus seg ic ten fijne:
- want liefs deruen is groote pijne.
[twee houtsneden naast elkaar]
-
- Princesse
- Wat liefs te deruen is grote pijne,
- al diet gesmaect hebben weetent wel,
- si en deruen voorder daer niet na vraghen,
- 70
- [f. 30 r°] het is een siecte seer wreet en fel.
- al en had ic ooc gheen lijden el
- och tderuen van lieue moet mi mishagen,
- tis een plaghe quaet bouen alle plaghen,
- seer swaer om draghen,
- 75
- een bitter knaghen,
- swaermoedich van geeste, waermen geseten is,
|
* 59. ABN. na is: hooghst. 60. Komt overeen met ABN. var.; hebt: hebt wel; tekst: Int herte bleven Zoo vaste gescreven. 61. binnen, ABN.: minnen. 64. ABN. na om: troosts. 67. ABN.: Prince, wat liefs te derven en es vrij geen spel; var.: - es groot ghequel. 68. wel, ABN.: ooc wel. 69. ABN.: Niet voorder en derven zij daer na vragen. 70. ABN.: Noeyt siecte en was zoo wreedt oft soo fel. 71. had ic ooc, ABN.: vontmen ter weereldt. 72-81. ABN.:
- Zoo waert noch zwaer genoech om verdragen.
- Liever zoudemen derven vrienden en magen
- Al tgoet liever wagen.*) [*)var. Liefs derven doet alle vruecht veriaghen; Aenhoordt mijn ghewaghen:]
- Roepen en clagen,
- Versuchten es dlieken, waermen geseten es
- Tes een plage, die gaet boven alle plagen,
- Noeyt meerder meshagen,
- Een bitter cnagen,
- Vvant alle voorleden solaes vergeten es.
|
[p. 41]
-
- *
- want liefs deruen doet alle vruecht veriaghen,
- ic derfs wel ghewaghen,
- roepen en claghen,
- 80
- om deruen van lieue dicwil ghecreten is.
- duerwont ist herte dat vol drucs gemeten is,
- en ten vraecht na spise, noch coeuer van wijne; vs. 82
- rueck, smake, appetijt, al tsamen versleten is.
- ghi en behoeft hier toe gheen grote doctrine vs. 84
- 85
- want liefs deruen is grote pijne.
|
* 82. en ten vraecht, ABN: Niet vragende; noch: oft. 83. ABN.: Och ic segge noch eens, want claer om weten es. 84. ghi en behoeft, ABN.: behoevende.
vs. 82 coeuer: voorraad, overvloed.
vs. 84 doctrine: (geleerd) betoog.
|
|
|