|
* 1. Och ontbr. bij S.; na wiens: crachtige.
2. t ooghe, S.: die oghen. 4. mijns, S.: my. 5. mi ghi, S.: myn; therte: myn hert hebt. 6. daer, S.: dat. 7. hier - tis, S.: haer te bien. 9. mi, S.: mijn hert groot. 10. recreacie, S.: Recordacie; an: in. 11. moet, S.: lij. | |
[XVI] REFREYN[f. 30 v°] [houtsnede]
|
vs. 7 bediedende: lees wsch. biedende (vgl. de var.) - tis mi een vont (gewoonlijk: twaer mi -): een staande uitdrukking voor: dat is (zou zijn) iets heerlijks, een buitenkansje voor mij; zie b.v. nog XXVIII, 18; XLV, 13; LXXI, 24; S. IV, 8; CX, 26; CCXXXV, 8; Everaert XXX, 4. Het Mnl. Wdb. geeft wel een voorb. (IX, 909), maar noemt de uitdr. als zoodanig niet.
vs. 8 onbesneden: ruw, plomp. - ymaginacie: ver-, inbeelding (die mij nl. voorspiegelt dat ik ‘troost’ zal krijgen?).
|
|
* 12. memoracie, S.: Murmuracie.
13. Vóór liefs (1) bij S.: Want (even zoo in de volgg. str.). 14. doogen, S.: oochskens; vlammen: vlamme. 15. wten, S.: wt die; int: ter. 17. siele, S.: sulc. 18. S.: Tbeghinnen / der lieften doet lopen en rinnen. 19. den liefsten, S.: der lieften. 20. behoort, S.: behoeft; door - ionst: doer oghen o ionghe. 22. ist, S.: es; schuwen: schouwen. "23. swijke, S.: van u; vruecht: duecht. 25. tsucaet, S.: Tractaet. 27. doochskens, S.: die oghen. 29. soude - yem., S.: en soude yemant syn in. 30. S. na elc: die oghen te claren bescouwe. 31. S.: Rouwe / waer versteken in elcke vouwe. 32. dan ontbr. bij S. 33. soumen doogen metten, S.: souden die oghen bij. 34. maecte ic, S.: waert. "35. S.: Verharen / most druc ende ter jonst hem paren. vs. 12 door mijn oogen laat ik de herinnering (haar beeld) in mij binnenkomen?
vs. 15 sneuen: leed, ongeluk.
vs. 17 duer: om.
vs. 18 dinnen: verminderen, gering worden.
vs. 20 Wsch. corrupt, evenals de var.
vs. 22 schuwen: lees wellicht met S. schouwen. - graet: hoogste trap; vgl. VI, 37.
vs. 23 slaet ... swijke: laat ... begaan, betijen; vgl. b.v. S. CCLIII, 6.
vs. 24 gelaet: het bewegen, wenken.
vs. 25 vertijen: aftrekken, verdwijnen.
vs. 28 wachten: verwachten, en vandaar: ontmoeten, verkeeren met.
vs. 31 Corrupt; vgl. de var.
vs. 33 met: door. - douwe: de dauw der troost nl.; vgl. voor dergelijk fig. gebruik van dit woord nog XXXIX, 29; S. CLII, 38.
|
|
* 37. wildic - varen, S.: soudic daer die oochskens waren.
38. paren - hier, S.: Varen soudic daer; strijen: scrijen. 40. S.: Dijn amoreuse duechdelijke oghen. 41. doen ontbr. bij S.; der: inder. 42. en tot v boghen, S.: tuwerts gheboghen. 43. in venus, S.: van drucs. vs. 36 doghen: de inf. van het ww. zelfst. gebezigd, dus: lijden, leed (woordspeling met dooghen = de oogen).
vs. 39 in varen: in gevaar.
vs. 42 boghen: buigen.
vs. 43 droghen: doen uitdrogen, uitmergelen?
|