|
* Stok. ha, S.: had (in alle strophen); bij BR. en HA. ontbr. het tweede lief in alle stokregels.
1. S.: Narciscus noyt schoon iacht beminde. BR.: Narcissus. 2. Oct. Aug., BR.: Octavien; die ontbr. bij S. 3. Noch - seer, S.: Enos noyt soe; voghel en: voghelen; en ontbr. bij BR. 4. van S.: vol. die - eerden, S.: hier opter eerder vergulden sporen. | |
[XVII] REFREYNNoyt lieflic lief en ha lief so lief
|
vs. 3 noyt: corrupt; er moet een naam staan. - versinde: zette zijn zinnen op.
vs. 8 Galathea: vgl. de variant; bij v. D. zijn de namen door elkaar geloopen; Galathea wordt bij S. genoemd als beminde van ‘Priscus’. De vrouw op wie Virgilius verliefd was wordt in het volksboek niet bij name genoemd; in de oudere versie van Jean d'Outremer heet zij Phoebilla (Comparetti, Virgil 306).
|
|
* Tusschen 6 en 7 bij S. 27 regels die hier ontbreken, tusschen 7 en 8 één regel, tusschen 8 en 9 twee regels.
7. Dalida, BR.: Dalila. 8. S.: Virgilius en hadde noyt soe lief Idea. 10. noyt ontbr. bij BR. 11. S.: Eurealus en hadde noyt soe lief Lucresia. 12. Iuno, S.: Iio. 13. beminde, BR.: minde. 16. sijn ontbr. bij S.: in, BR.: tot. 17. Ic heb, S.: Ick en heb lief; BR.: Ick heb se. 18. Equo, S.: Ero, BR. en HA.: Echo. 20. prop., BR.: tpropoost. 21. prijse, BR.: prijse haer. 22. si is mijn hope, S.: Want sy es mijn leuven. 23. paradijs, S.: tparadys; paleys vol: tpallaijs van. 24. tfirmament, S.: tvirtuyt. 26. steruen, BR.: streven. 27. Venus ontbr. bij S. 28. suetste, BR.: soete. Pallas, S.: venus. 30. herten, S.: sielen. vs. 11 Eurealus: vgl. XII, 8.
vs. 20 propoost: thema; vgl. V, 45.
|
|
* 33. niet ontbr. bij S.; magen, BR.: maecht; noch: ofte.
34. macht sijn, S.: werdt sy. 35. mer, S.: Daer. 37. recht, S.: wel redelick. 40. om, S.: en om. 42. tallen tijden, S.: alderhande. 43/44. en(de) ontbr. bij S. 43. alle ontbr. bij BR. 44. wetende, BR.: vreesende. 45. eerbaer ontbr. bij S.; BR.: Haer eerbaer treden. 47. si ontbr. bij S. 49. der, S.: Van; vesp., BR. en HA.: verspreyen. 50. amoreusen, S.: gheionstighen. 51. vertr. glor., S.: troosteghe gheglorificieren. 54. Prince enz., BR.: Princesse. Glorieuse princesse princelyck. - princelicst, S. princersselyck. 55. bouen alle, S.: alder; BR.: onder alle; een ontbr. bij S. en BR. 56. is, S.: Als; BR.: Edel. vs. 34 macht sijn: lees wellicht: mach si sijn (vgl. de var.)
vs. 37 begracie: vereer; vgl. Ndl. Wdb. II, 1413 en b.v. nog Hand. d. Amour. H 1 r°; K 5 v°.
vs. 39 visitacie: verschijning? zie Mnl. Wdb. i. v.
vs. 41 alleynicheyt: ingetogenheid?
vs. 44 ghemeynicheyt: eenvoudigheid.
vs. 45 sonder cleynicheyt: wsch. onbesmet, zuiver; cleynicheyt bet. eig. smaad, vernedering (vgl. vercleninghe, X, 22).
vs. 49 vespereyen: steekspelen (te Brugge); zie uitvoerig Mnl. Wdb. IX, 398 vg., en vgl. S. CCVII, 33. Hierdoor wordt ook banieren in het vorige vers duidelijker.
In vs. 51 is wsch. iets weggevallen. |
|
* 57. bi veel S.: voor veel; BR.: Van alle.
59. princessel., BR.: princelycke. 60. princelic, S.: princersselickts. 61. als, BR.: als de. 65. gheproeft, S.: ghepent. 65. Princesselic, BR.: Princelyck. 66. duer, S. bij. 67. bliuic, S.: segick; deser: duer die. 68. S.: Der princerssen absent. vs. 65/66 gheprent ... in haren brief: in haar gunst opgenomen; vgl. S. CLXXXVII, 53.
|