[XX]
[f. 36 v°] [twee houtsneden naast elkaar]
- OThroon van weelden, tempel van gouwe
- daer mijn sinnen binnen moeten logieren,
- bouen alle beelden goet en ghetrouwe,
- die ic kinne, minne, reyn van manieren;
- 5
- so die sonne doet den hemel verchieren
- dies voghelkens, visschen en wilde dieren
- [f. 34 r°] vruecht hantieren mits haren lichte,
- so doedi bouen alle Robinen ende Sophieren
- bouen schoon rosieren, lelien, violieren,
- 10
- die menschen op deerde vruecht multiplicieren,
- droefheyt faelgieren midts uwen ghestichte.
- o minlijc ghesichte, groot van ghewichte,
- wes ic hantplichte, in prose oft in dichte, vs. 13
- ghelooft dit nu,
- 15
- hoe ic schichte des droefheyt swichte, vs. 15
- het is om v.
-
- Alle ordinancien van eedelheden, vs. 17
- harpen, luten, fluyten, danssen, springhen
|
vs. 13 hantplichte: eig. gebruik; hier: schrijf; vgl. CXIV, 62.
vs. 15 schichte: schik, orden (mijn verzen nl.?). - des: opdat. swichte: wijke.
vs. 17 eedelheden: lees wellicht abelheden.
|
[p. 51]
- met playsanten vol sueter seden, vs. 19
- 20
- secreten oft buten inbiten, lachen oft singen, vs. 20
- iaghen, vlieghen, als fiere ionghelinghen, vs. 21
- minlic spacieren na der natueren gehingen,
- solaes voortbringhen tot alder stont,
- banketeren, houeren en ander dinghen,
- 25
- die gulden stringhen vanden hoofde swingen, vs. 25
- als twee amoreuskens hem tsamen mingen,
- die hertekens dringen aen de burstkens ront,
- suet aenschijn blont, sijt dies wel cont,
- [f. 37 v°] bouen schat oft pont als honich ghesont,
- 30
- sonder anxt oft grou,
- v beleefden gront die heeft mi duerwont, vs. 31
- het is al om v.
-
- Ic heb meer vruechden bi uwen persone
- dan al die leuen, screuen voor haer doot, vs. 34
- 35
- mits uwen duechden, alder schoonste schone,
- condi mi voor sneuen gheuen blijtscap groot.
- o minlijc aenschijn, dwelc mi doorschoot,
- bi v te sijne mi niet en verdroot,
- dan nuttic hemels broot bequaem en soet.
- 40
- wies ic vermach, bloeme minyoot, vs. 40
- van goude root, van siluer bloot,
- en alle dingen dies mi god gheboet, vs. 42
- sonder wederstoot, om v te hoot, vs. 43
- weelde, voorspoet, der vruechden vloet,
- 45
- wt rechter ootmoet, sijt des wel vroet
- en hebbes betrou,
- lijf en goet, ia mijns hertsens bloet,
- het is al om v.
-
- Princesse reene, hoghe gheboren,
- 50
- vrouwe plesant, verstant, hebt mi in v deuise. vs. 50
- [f. 38 r°] oock anders gheen en heb ic wtuercoren,
- int landt gheplant, eedel van rijse;
|
vs. 19 Na playsanten is wsch. iets uitgevallen: vroukens of iets dergelijks.
vs. 20 buten inbiten: buiten ontbijten, picknicken.
vs. 21 vlieghen: met jachtvogels jagen.
vs. 25 gulden stringhen: blonde vlechten. swingen: slingeren, zwaaien; vgl. XLI, 36.
vs. 34 dan door alle levenden beschreven zou kunnen worden al schreven ze tot hun dood.
vs. 40 wies ic vermach: waarover ik beschik, wat ik bezit.
vs. 42 dies mi god gheboet: waarover God mij de beschikking gaf.
vs. 43 sonder wederstoot: kan beteekenen: vrijwillig (Mnl. Wdb. IX, 1985). - om v te hoot: wsch. corrupt; te hoot (hovet) beteekent: ten einde (a. w. III, 695).
vs. 50 verstant: imperatief van verstanden? Dan: luister (a.w. IX, 3). - hebt mi in v deuise: trek u mijner aan, aanvaard mijn dienst.
|
[p. 52]
-
- het is duer v dat ic veriolijse vs. 53
- bouen dranck oft spijse, vroech oft spade,
- 55
- tis duer v al mijn entreprijse. vs. 55
- damoreuse ghijse, suet van bewijse, vs. 56
- besloten als binnen den paradijse,
- vry van afgrijse en van allen smade,
- o wijse van rade, eedel van sade,
- 60
- o suete sucade, o blosende garnade,
- maect droefheyt schou; vs. 61
- so ic mi verlade, ist druck oft schade,
- tis al om v.
|
vs. 53 veriolijse: mij verheug; vgl. III, 29.
vs. 56 ghijse: manier van doen (wsch. onderwerp bij maect van vs.61).
vs. 61 verlade: belast (met de minne nl.; vgl. Mnl. Wdb. VIII, 1960).
|