|
*
|
* 3. in, v. D.: op, HA.: van.
|
[XXVI] BALLADE
- AL verkeerde tvoetsel van mijnder spijsen
- in gallen en in dranck van ijse
- en dbedde in doornen daer ic op slape,
- al sagic elcken inden paradijse
- 5
- en mi tussen leeuwen vol van afgrijse
- om te verschueren ghelijc den blauwen scape, vs. 6
- meer wonders ic in mi seluen rape
- [f. 45 v°] dat si daer ic altoos na gape
- mi dus begeeft.
- 10
- si mi behaecht in swerelts betrape vs. 10
- bouen alle dat leeft,
- mijn herte dat beeft, mijnen lichaam sneeft
|
vs. 6 den blauwen scape: het onnoozele schaap.
vs. 10 swerelts betrape: eig.: wat de wereld in haar macht heeft; hier omschrijving voor: de wereld.
|
[p. 62]
-
- *
- als die de doot op die lippen heeft.
- Ic smake te hant alle bitter vruchten,
- 15
- dus scriuic mits dat mi op die tonge cleeft,
- die ghetrouwich mint moet dicwil suchten. vs. 16
-
- Als si mi trooswater int aensicht goot
- ende haer ghelu haer so minlijc ontsloot
- dat lanck tot bider eerden hinck,
- 20
- ghecammet onder een bonnetken root,
- met beyden armen ic na haer schoot
- als oft ic gheulogen had in shemels rinck.
- als ic een cusken van haer ontfinck
- sueter dan noyt geur van balseme ghinck
- 25
- so roock si present.
- nv heb ic een eeuwich hantghewrinck
- tot sleuens ent.
- waer mijn torment in boecken geprent,
- ten leeft gheen mensche die redene kent
- 30
- hi en soude medeliden int herte draghen.
- [f. 46 r°] al heeft si haer sinnen van mi ghewent
- die ghetrouwich mint moet dicwil clagen.
-
- Ic verhiefse bouen der engelen weerde,
- wist ic niet dat god den mensche op deerde
- 35
- schoonheyt gegheuen heeft bi natueren. vs. 35
- om haren danck en sijt begheerde, vs. 36
- so die verwesen is moet buygen ten sweerde,
- soudic mi laten in stucken schueren.
- vermaledijt sijn poorten en mueren
- 40
- die mijn lief dus houden binnen dueren,
- grendelen en sloten,
- en nijders tonghen tot allen hueren
- vol archs ghegoten.
- die fenijnighe schoten doen mi verdoten
|
* 23. als ic een cusken, HA.: door de woorden die ick. 44. verdoten, HA.: verdroten.
vs. 16 Vgl. met dezen stok dien van een refrein in BA., fol. Fij v°: ‘Wie hertelijck mint moet dicwils trueren’.
vs. 35 bi natueren: volgens den menschelijken aard, dus: vergankelijk, sterfelijk?
vs. 36 om haren danck: te harentwille.
|
[p. 63]
-
- *
- 45
- mijn lief noch in haer bloysel ghesproten vs. 44/45
- bi clappen vileyne, dit doet mi sneuen.
- dus comt my noch wten monde ghevloten:
- die ghetrouwich mint moet dicwil beuen.
-
- Wistic nv Iunoes nigromancie,
- 50
- Virgilius conste oft touerie vs. 50
- die de tanden der serpenten als mans verkeerde,
- [f. 46 v°] had ic te baten der aluen faeyerie, vs. 52
- ic soude om mijns liefs melodie vs. 53
- eenen throon doen maken daer icse in eerde;
- 55
- waert dat haer gracie dan op mi meerde, vs. 55
- meer vruechden dan oyt Poete en leerde
- soudic scriuen,
- nv bliuic vol wanhopen als die verseerde
- arme fugitijuen.
- 60
- moet ic dus bliuen, ten baet gheen kijuen,
- al hangic als die niet en verworghe vs. 61
- noch seg ic, men machs mi niet ontdrijuen, vs. 62
- die getrouwich mint is dic in sorghe.
-
- Pigmaleon op een steenen beelt verhit
- 65
- creech door sijn trouwe reyn onbesmit
- int eynde troost van sinen miskieue.
- haer ter eeren die in diepte der herten sit vs. 67
- soudic in een siden hemdeken wit
- tornoyen teghen meer mans in grieue, vs. 69
- 70
- al waert dan dat ic duysent wonden besieue, vs. 70
- vercreech ic den troost van mijnen lieue
- ic waer ghenesen.
- [f. 47 r°] maer nv ben ic gheplaent wt Venus brieue, vs. 73
- vervloect, verwesen
- 75
- ben ic mispresen, vol drucs gheresen,
- so moet icse voor donghenadichste lesen
|
* 49. nigromancie, HA.: imaginatie. 69. in, HA.: int. 76. iese, HA.: ick my.
vs. 44/45 De zin is wellicht: de giftige pijlen (van de ‘nijders’) maken mijn bloeiend lief razend (verdoten bij Kil.: delirare, desipere) door hun laaghartigen laster.
vs. 50 Hier worden de verhalen van Virgilius den toovenaar en van Jason door elkaar gehaald.
vs. 61 Hoort wellicht bij dus uit vs. 60; er ontbreekt echter een vs. vóór of na 60.
vs. 62 mi ... ontdrijven: mij er van afbrengen.
vs. 67 vg. Vgl. met deze passage de volgende uit Hand. d. Amour. T 3 r°: ‘Ick zoude door de liefde, en syt begheerde, Waer ick te peerde met mynen sweerde In myn wit hemde eenen strijt doorhouwen, Ter eeren van alle schoone Vrouwen’.
vs. 70 besieue: kreeg, opliep.
|
[p. 64]
-
- *
- die oyt op eerde was verscheenen.
- al schiet ic mijn pijlen met slappen pesen, vs. 78
- die getrouwich mint moet dic met drucke wesen.
-
- 80
- Verdraecht pampier, tis een cleen sake,
- quansuys oft ic teghen v sprake
- suldi den gront mijnder herten weten.
- nv dunct mi dat ic fraude smake,
- voys, tonghe en wille roept nv wrake
- 85
- op haer daer ic nv ben af vergheten.
- een ander is in haer herte gheseten,
- ic heb al mijnen swaren arbeyt versleten
- op een blaw belof, vs. 88
- ic bliue als Troylus opt reck ghesmeten vs. 89
- 90
- int lijden grof,
- daer en comt niet of mer als sant en stof
- verteyrtse mijn vruecht in twijfels hof vs. 92
- si is stranger dan moorders met ghijsarmen, vs. 93
- dus seg ic en cander voor scieten geen schof, vs. 94
- 95
- [f. 47 v°] die getrouwelic mint moet dicwil kermen.
-
- Twy maecte god sulcken lichaem perfect
- daer een gheueyst herte in is ghedect;
- ic sout hem vraghen, waert dat ic mochte.
- mi dunct dat bouen natuere strect
- 100
- dat si met mijnder ionsten gect
- en daer ic so eerbaerlijc consent versochte.
- beuontse doch eenich vileyn ghedochte
- oft waert datic oneerbaerlic wrochte,
- so mochte mi plagen vs. 104
- 105
- wrake opt gelaet dat si voort brochte
- om mijn behaghen. vs. 105/106
|
* 94. schof, HA.: schoft. 96. HA.: Tfy van sulcken lichaem perfekt. 98. sout hem, HA.: soude eens.
vs. 78 De zin is: ik bereik niets met al mijn moeite. Al heeft den klemtoon, of men leze ic schiet al.
vs. 89 reck: een martelwerktuig (Mnl. Wdb. VI, 1242).
vs. 92 verteyrtse: doet zij te niet. - twijfels: wanhoops.
vs. 93 ghijsarmen: tweesnijdende strijdbijlen.
vs. 94 schof: schuif; vgl. Mnl. Wdb. VII, 603: ergens een schof voor schuiven.
vs. 104 mochte: lees wellicht mochtse.
vs. 105/106 De zin is: wee over het (liefelijk) gelaat dat zij toonde om mij te behagen (of: waarin ik behagen schiep; vgl. vs. 109).
|
[p. 65]
-
- *
- ic mach wel claghen en vloecken de dagen
- dat mi die beenen mosten draghen
- daer mijn oogen om haer schoonheyt loegen.
- 110
- mi tuycht den sin, ic en derfs niet vraghen,
- die ghetrouwelic mint moet dicwil ploegen. vs. 111
-
- Wrake ouer haer schielose sinnen, vs. 112
- lof moet haer duechdelic persoon gewinnen,
- wrake der onghetrouwe die si mi doet,
- 115
- lof diemen wel mach in eeren minnen,
- wrake dat ander de vruecht bekinnen,
- lof die ionst mijns herten bloet, vs. 117
- wrake dat ic so steruen moet,
- [f. 48 r°] lof die schoonste die oyt ghinc ouer voet,
- 120
- wrake der tyrannicheyt,
- lof daer mijn volmaecte hope op stoet,
- wrake haerder viandicheyt,
- lof wijse verstandicheyt,
- wrake mijnder brandicheyt,
- 125
- lof die ic excusere voor schandicheyt,
- wrake der bitterheyt die ic moet proeuen.
- mer wat baet alle vayliandicheyt,
- die getrouwelic mint moet dicwil droeuen.
-
- Hoe mocht wt haren monde
- 130
- vloeyen so engheliken faconde vs. 130
- sonder meenen, om mijn abuseren.
- al waert dat mi Venus in brieuen sonde
- en ic selue die misdaet niet en bevonde, vs. 132/133
- ic souwer noch teghen appelleren.
- 135
- haer paruere droech ic in mijn cleren,
- die colueren deedse mi quarteren, vs. 136
- niet om troost verleeninge,
- maer om datse met mi soude boerderen
|
vs. 111 ploegen: den ploeg der minne trekken (vgl. LXXIX, 34).
vs. 117 ionst: lees wellicht: ic ionne.
vs. 130 faconde: welsprekendheid, en vandaar: schoone woorden.
vs. 132/133 De bedoeling hiervan is mij niet duidelijk.
vs. 136 quarteren: een geslachtswapen met een ander in één wapenschild vereenigen (Mnl. Wdb. VI, 856). Na quarteren leze men een punt, geen komma.
|
[p. 66]
-
- vindic haer meeninghe.
- 140
- ic sie die. vercleeninge, wt rechter versteeninge vs. 140
- voetse haer herte in mijn weeninghe
- [f. 48 v°] en laeft mi met amoreusen drancken.
- mi en baet glose, parabel noch leeringhe,
- die ghetrouwelic mint moet dicwil iancken.
-
-
- Prince
- 145
- Die van desen dichte acteur is
- heeft medeliden met hem die in sulcken labuer is,
- want hi weet wel den smaeck van sulcke sope,
- god danckende dat sinen tijt so na duer is.
- want vrouwen beloften meest deel faueur is,
- 150
- een blase vol wints, een ydel hope.
- ontlast v in tijts van sulcken nope
- so ic ghedaen hebbe, dat wil ic pluchten. vs. 152
- na diuerse conclusie dat ic weer hope
- die getrouwelic mint moet dicwil suchten.
|
vs. 140 vercleeninghe: geringschatting; vgl. X, 22.
vs. 152 ic (2): lees wsch. ooc. - pluchten: plegen, bedrijven; vgl. VIII, 14.
|
|
|