[f. 51 v°] [XXIX] REFREYN
- OCh sinnen, wat moeti secretelic lijden
- in droefheyts strijden in allen tijden,
- want twijfel bringt mi sonder vermijden
[p. 70]
-
- in anxt der doot.
- 5
- o iaghen, hoe doedi mijn vruecht ontglijden
- in druck, in nijden in allen sijden,
- dus mach ic dat iaghen wel vermaledijden,
- noyt sulcken noot.
- ic dorst iaghen tschoonste hert minyoot
- 10
- dat noyt gheiaecht mach sijn, dats bloot, vs. 10
- dus duchtic dat stoot
- mocht crighen, quaemt in yemants schoot vs. 11/12
- tsinen wille gheuelt
- en sijn lance metter hitten daer inne stelt vs. 14
- 15
- so ben ic darm wachtere vander niethage. vs. 15
- mer nonfortse, mijn vruecht wert onghetelt vs. 16
- och mocht ic vanghen dat ic iaghe.
-
- Sou mi ooc yemant sulc hert ontsteken, vs. 18
- dach, huere, oft weken in mijn bosch breken
- 20
- en mijn warande mi geheel ontrecken vs. 20
- na sijn begheeren
- [f. 52 r°] ende opden haerdries iaghen, steken, vs. 22
- ter rouwer schueren lopen en alle die streken
- na van nauelghem tot kniebeken vs. 24
- 25
- sonder verweeren;
- sou hem yemant op mijnen acker gheneeren
- tot int aensteken met gherechte speeren, vs. 27
- tmocht mi wel deeren;
- sou yemant mijn foreest so duer veeren
- 30
- ia heel opt mijne
- ay lasen, ic storue van groter pijne
- dat ic yemant sulcken arbeit voor mi doen sage.
- mer ic hope noch verblijdt te sijne
- och mocht ic vanghen dat ic iaghe.
-
- 35
- Sou mi yemant sulck hert ontstouwen, vs. 35
- hem bi die liefste onthouwen en dan door flouwen vs. 36
- deen let van dander doen strecken en vouwen
|
vs. 11/12 stoot ... crighen: aanstoot lijden, schade beloopen; vgl. XLV, 37.
vs. 15 niethage: een niet bestaande haag; de bedoeling is: dan visch ik achter het net.
vs. 16 wert onghetelt: zal mateloos zijn.
vs. 20 ontrecken: wegnemen; vgl. b.v. nog Hand. d. Amour. I 2 v°: ‘nimmermeer en zal ick 't (mijn hart) haer ontrecken’.
vs. 22 haerdries. Driesch = braakland (vgl. S. CCXLII, 19). De beeldspraak behoeft wel geen nadere verklaring.
vs. 24 na hoort wellicht bij lopen uit vs. 23.
vs. 35 ontstouwen: hetzelfde als ontsteken (vs. 18); niet in Mnl. en Ndl. Wdb.
vs. 36 flouwen: wellicht in de door Oudemans II, 312 genoemde bet. van ‘boerten, gekscheren’; deze wordt echter elders nergens vermeld.
|
[p. 71]
- als heel gheuaen,
- dat ic beminne bouen alle kerssouwen
- 40
- so suet, so schoon in sijn aenschouwen
- alst is ghedaen;
- sou mi yemant sulck venisoen afslaen,
- knijfelen, pueselen, tasten borstkens aen, vs. 43
- [f. 52 v°] bekiekelooghen saen vs. 44
- 45
- oft hem doochskens int drayen ooc lustich staen
- int innelicke iolijs,
- ic storue arm loeten ia sagic dbewijs, vs. 47
- mer ic hope beters dan sulcke toelaghe,
- niemant en was blijde in sijn auijs
- 50
- och mocht ic vanghen dat ic iaghe.
-
-
- Prince
- Lustich princhier twaer mi al goet,
- moet, bloet, spoet, bi nachte, bi daghe,
- had ic tdier, fier, fray, gay en soet,
- Ic seyde een groet
- 55
- abele, notabele, abundabele ter spoet;
- och mochtick vanghen dat ic iaghe.
|
vs. 43 knijfelen: knuffelen? - pueselen: betasten.
vs. 44 bekiekelooghen: van elders niet opgeteekend, maar het woord spreekt voor zichzelf.
vs. 47 loeten: sukkel; vgl. CLIV, 21; S. XXXIII, 36; LXXV, 38; CVI, 42.
|