|
*
|
* De eerste strophe ontbr. bij HA.
|
[XXXI] REFREYN
- ALs lief bi lief is int prieel ghesloten,
- vol welden, vol vruechden, vol solaes gegoten,
- planteyt van als na haers herten begheeren
- en tfenijn van nijders veriaecht, verstoten,
- 5
- en tvierich herte in liefden doorschoten
- hem mach natuerlic metter liefster geneeren,
- [f. 54 v°] wiens wesen dat droefheyt, druck, pine verteeren
- mits daenschouwen der oochskens reyne,
- haer wancxkens blinckende, borstkens als peeren,
- 10
- wiens mondeken root rieckende als mageleyne, vs. 10
- dus amoreus te sijne in liefden ghemeyne,
- en bitter sceien dat vruecht veriaecht met gewelt:
- dits daldermeeste dat den amoreusen quelt.
-
- Ontroost van lieue is quelsel van pijne,
- 15
- het maect druck, swaerheyt telcken termijne,
- het doet suchten, weenen, clagen en beuen.
|
|
[p. 74]
-
- tis ghequel ghesloten geuanghen tsine
- int casteel der droefheyt, deruende ten fijne
- voetsel en spise, tgebruyc der liefster verheuen;
- 20
- tis gequel door tgepeis in ialoursheyt te leuen
- waerwt rijst anxt, vrese, quaet betrouwen snel,
- mer sceyden van lieue gaet bouen screuen,
- waer wt vloyt wanhope, desperacie fel.
- door tscheyden quam Dydo swaerlic int gequel
- 25
- en dode hair seluen duer tsceiden, dit wel spelt:
- dits daldermeest dat den amoreusen quelt.
-
- Tis quelsel en pijne als liefs liefde daelt,
- wanneer si met ontrouwe therte doorstraelt, vs. 28
- [f. 55 r°] duerknagende dlijf met onrusten geduerlic;
- 30
- tis gequel als hem natuerlic begheerte faelt
- ende hem voor hoonich wert gal betaelt
- dwelc ontrouwe doet, niet wesende bruerlick; vs. 32
- tgequel maect siel en lijf berurelic vs. 33
- en veriaecht rueck, smaec, lust en appetijt;
- 35
- mer geen quelsel so groot alst scheiden suerlic
- dat beneemt slapen, waken en verdrijft iolijt.
- door tscheyden quam Lucresia in sdoots berijt, vs. 37
- tscheyden heefter veel in perikelen ghestelt,
- dits daldermeest dat den amoreusen quelt.
-
-
- Prince
- 40
- Om die questie tsolueren na dbeste besceet,
- so en is gheen quelsel gheen sulc so wreet
- als tscheyden van lieue, diet proeft moet kinnen. vs. 42
- door tdroeuich sceyden vercruypt bloet en sweet,
- aderen en zeenuen die crimpen door dleet
- 45
- daer twee amoreuskens tscheyden beginnen.
- tscheyden beneemt verstant, memorie en sinnen,
- tscheyden doorschiet therte swaer als loot,
- tscheyden doet verdriet en tribulacie gewinnen,
- sceiden doot vruecht en maect droefheyt groot,
|
vs. 28 doorstraelt: doorboort, doorschiet.
vs. 32 bruerlick: eig.: als een broeder.
|
[p. 75]
-
- 50
- [f. 55 v°] duer tscheyden sterf Landomia die doot, vs. 50
- waer scheyden geschiet, in huys oft op tvelt,
- tis dmeeste dat de amoreusen quelt.
|
|
|
|