[XXXV]
[f. 57 r°] Ic sterue door haer dies noyt en rochte
[twee houtsneden naast elkaar]
- O God Cupido en Venus goddinne,
- hoe mach v rechtuerdicheyt dit verdragen
- dat den loon van reynder ghestadiger minne
- niet anders en is dan een afgront van plagen;
- 5
- tschijnt dat ghi selue listen legt en laghen
- om mi te bringhen in desperacien,
- want hoe ic dagelicx eenen boeck vol clagen
- [f. 57 v°] doe met bloedighen lamentacien
- ghi versteent haer herte die ic vol gracien
- 10
- kende te voren,
- so dat in mi nv en tallen spacien
- hope is verloren.
- nochtans bliuic haer eyghen ghesworen,
- o vermaledijde, dier mi toe brochte
- 15
- te steruen door haer dies noyt en rochte.
-
- Dadic als Iason, Theseus oft Eneas,
- die haer schoone vrouwen hebben bedroghen,
- oft menich ander daer ic laetst af las,
[p. 78]
-
- so soudic mijn leet pacientelijc ghedogen;
- 20
- mer ic mach die contrarie so wel betogen
- dat elc mijns deeren mach diet weet,
- want therte en heuet noyt eens geploghen vs. 22/23
- ten was om lijden al eeuen ghereet.
- o valsche fortune, mijn bitter sweet
- 25
- roept op v wrake,
- o corosiuich fenijn seer heet, vs. 26
- bloetghierige drake,
- ghi verslint mi met sulcken onghemake
- dat mi wondert hoe ict verdraghen mochte.
- 30
- [f. 58 r°] ic sterue duer haer dies noyt en rochte.
-
- Draken, grijffonen, beeren, leeuwen, leeuwinnen,
- in haren speluncken wrede onghieren vs. 32
- tyrannich verwoet wijlen van binnen,
- vintmen ghesacht bi suete manieren,
- 35
- haer wreetheyt smeltende als was biden vieren;
- ia god selue, vergramt, wert ghepayseert;
- mer deedelste dier onder alle dieren
- van sueter manieren gracelicxst verchiert
- en daer proper wesen ghenade in stiert
- 40
- wt alder beradecheyt, vs. 40
- dat is van puerder wreetheyt gheregiert
- vol alder versmadicheyt,
- genuechte makende in hairs selfs ongenadicheyt,
- dus seg ic met beuende stemme onsochte:
- ic sterue duer haer dies noyt en rochte.
-
- Princelijc wesen vol van discrecien,
- hout op met desen, thoon ionst in tijen;
- Eurealus en minden noyt so Lucresien vs. 48
- appoteke vol specien, ondanck diet benijen vs. 49
- 50
- die doch tuwaert niet en misrochte. vs. 50
- al soude mi tsweert van bitterheit doorsniden,
|
vs. 22/23 heuet noyt ... geplogen ... ten was: heeft zich daaraan (t.w. aan ontrouw) nooit bezondigd, maar het was enz.
vs. 32 Aan het begin is wsch. die weggevallen.
vs. 40 beradecheyt: welwillendheid, genegenheid; vgl. LII, 43.
vs. 49 Na de eerste helft van dit vers gaat het zinsverband verloren; mogelijk moeten vs. 50 en 51 verwisseld worden, maar waarschijnlijk ontbreekt er toch iets.
|