[XLI] REFREYN
- T Solaes dat eedelic can verchieren,
- hoochlic creyeren, steken, tornieren,
- daer Venus camenieren na staen en wieren vs. 3
- met lachende monde, met blosende lieren,
- 5
- gheuende den prijs;
- iaghen, vlieghen na wilde dieren, vs. 6
- batementen vieren, bancketten bestieren,
- wonderlic tieren, niemant schoffieren vs. 8
- vry sonder nijt duert vrolijc regieren,
- 10
- lief bi lieue iolijs, vs. 10
- dit maect opt daerde een paradijs
- alst therte gesont is; gesontheyt sterct iuecht,
- gesontheyt gheeft blijtscap, ic bens wel wijs,
- vintmen ter werelt ooc meerder vruecht.
-
- 15
- Ghesontheyt can alle smerte cureren,
- [f. 63 r°] na dappostumeeren doet si spaceren, vs. 16
- danssen, houeren, therte presenteren
- tot liefs wille, sonder perturberen
- die schoone en yente,
- 20
- ghesontheyt doet den hooftpueluwe stofferen,
- Venus dienst sacreren, tborstsweet vermeeren,
- triumpheren en vrolic roseren vs. 22
- ende in Venus spieghelkens speculeren vs. 23
- een enghelike prente,
- 25
- si maect twee hertekens van eenen consente
- want sonder gesontheyt is niemant verhuecht,
|
vs. 3 wieren: rond-, uitzien (Kil.)
vs. 6 vlieghen: met jachtvogels jagen.
vs. 8 schoffieren: te schande maken.
vs. 10 Wsch. is voor iolijs in weggevallen.
vs. 16 appostumeren: eig. zweeren; hier iets ruimer = ziek zijn.
vs. 22 roseren: zich met rozen versieren, bekransen; vgl. S. CLXXVII, 40; Hand. d. Amour. A a 5 r°.
vs. 23 speculeren: beschouwen.
|
[p. 86]
-
- gesontheyt verghelt vriendelic die nachtrente, vs. 27
- vintmen ter werelt ooc meerder vruecht.
-
- Dat natuere haer niet en can bedwingen, vs. 29
- 30
- si moet volbringhen voor alle dinghen
- dat lust wil ghehinghen, tkauken horen singen vs. 31
- latende malcanderen die armkens omringen,
- tis ghesontheit diet doet;
- ende als die hertekens dan tsamen springen,
- 35
- deen aen dander dringen, worstelen, wringen,
- tgheel haerken swinghen als gulden stringen, vs. 36
- dies hem gheen tijt en mach verlinghen. vs. 37
- [f. 63 v°] ghesontheyt gheeft spoet,
- ghesontheyt maect ooc dbeste bloet,
- 40
- ghesontheyt gheeft lust diet al bevuecht, vs. 40
- ghesontheyt prijsic voor alle eertsch goet,
- vintmen ter werelt ooc meerder vruecht.
-
-
- Prince
- En dede gesontheyt, vruecht sou versmayen, vs. 43
- hoe sou lust ghepayen dye vierighe rayen
- 45
- die bernende layen dye wt Venus wayen, vs. 45
- daer die oochkens so vriendelijc om drayen,
- ten ware gheen spoetsel
- sonder ghesontheit en mochte lust niet hayen vs. 48
- die vrolike bayen trooswaterken sprayen,
- 50
- bloemkens sayen, tergie met dayen vs. 50
- daer amoreuse gheestkens in verfrayen, vs. 51
- twaer al cleen boetsel;
- ghesontheyt is voetsel om te doen moetsel vs. 53
- voer Venus outaer om liefken te stellen in iuecht, vs. 54
- 55
- om blussen Venus brant en layen,
- vintmen ter werelt ooc meerder vruecht.
|
vs. 27 nachtrente: beeld voor de vervulling van den echtelijken plicht; zie nog S. XXXI, 32; CCXXXII, 35, en vgl. mhd. nachtzynsz (Schumann, Nachtbüchlein (ed. Bolte) 247; 249), nachtfutter, nachthunger, e.d. Niet in Ndl. en Mnl. Wdb.
vs. 29 Dat: indien juist, te verbinden met vs. 33.
vs. 31 tkauken horen singen: klaarblijkelijk erotische beeldspraak, maar hoe te verklaren? Ndl. Wdb. VII, 1886 geeft op zingen als een kauw voor: slecht zingen. Vgl. nog S. CCXXXVI, 38, waar de kauw eveneens in erotische beeldspraak, maar in een anderen zin, voorkomt, en Celestina (Ned. uitg. v. 1551) G vj v°: ‘veynsterkaukens... die niedt vlieghen en connen’, voor: meisjes.
vs. 36 swinghen: doen zwieren.
vs. 37 verlinghen: lang vallen.
vs. 40 bevuecht: leidt, beheerscht (van bevoegen).
vs. 43 Na sou is wsch. iets weggevallen; het Mnl. Wdb. vermeldt althans geen intransitief gebruik.
vs. 45 layen: vlammen, gloed; vgl. vs. 55.
vs. 48 hayen: begeeren; vgl. Hand. d. Amour. Cc 4 v°: ‘Mijn zinnen die haeyen naer de zoete Daeyen’.
vs. 50 tergie: suikergoed; vgl. CXLIX, 19; S. LXXXIII, 43. dayen: dadels.
vs. 51 verfrayen: vermaak scheppen.
vs. 53 te doen moetsel: vgl. sijn wille doen.
vs. 54 iuecht: hoogste vreugd (Mnl. Wdb. III, 1051).
|