[p. 87]
[XLII] REFREYN *
[f. 64 r°] [houtsnede]
- O Rijck god wat si solaes ghewinnen
- si twee die deen dander ionstich minnen
- met trouwen eenen ghelijc ghebonden,
- eens int herte eens inden sinnen,
- 5
- eens int voleynden eens int beghinnen,
- eens int volwercken eens van monden,
- ten sou gheen menscelic sin connen gegronden
- die iubilacie die si bedriuen,
- ia waren alle lieden pennen geuonden
- 10
- ken souts te vollen niet connen ghescriuen.
-
- Wats meerder dan lief bi lief te sine,
- wats meerder vruecht dan lief ter pijne, vs. 12
- [f. 64 v°] wat troost is beter dan troost van lieue,
- wats hogher dan troost in minnen fijne vs. 14
- 15
- wats meerder dan troost van liefs aenschijne,
- wats soeter dan lief lief wacht van grieue?
- al waert dat ic alle herten besieue
- die oyt minden van man oft wijue
- en tvelt ware ghelijc eenen brieue, vs. 19 en 29
- 20
- ken souts te vollen niet connen scriuen.
-
- Die grote solasen die lieuers versieren,
- die minlike woorden die gelieuen verchieren,
- die melodie die daer beghint, vs. 23
- die reyne ghelaten, dat suet regieren,
- 25
- dat herten, suchten, dat hoghe hantieren, vs. 25
- dat suet verbaren datmen daer vint vs. 26
- daer lief sijn lief met trouwen mint,
- sulck vruecht te noemen moet mi ontbliuen,
- want al ware al dat water ynt, vs. 29
- 30
- ken souts te vollen niet connen ghescriuen.
|
* Stok. Vgl. Hand. d. Amour. Cc 8 v°: ‘De Poëten en zouden in gheen legenden schrijven Het solaes dat twee Ghelieven bedrijven.’
vs. 12 ter pijne: als men ongelukkig, in nood is?
vs. 14 fijne: lees wsch. ten fijne.
vs. 19 en 29 Vgl. P. Champion, Hist. poétique du XV e s., II, 405: A propos de sa dame Molinet osera dire que si les présétaient des feuilles de parchemin et 1'eau courante du ruisseau de 1'encre, il ne saurait venir à ses fins’.
vs. 25 herten: lees wellicht: hertelijc.
vs. 26 verbaren: (zich) toonen, gedragen.
|
[p. 88]
-
- Daer lief bi lieue mach sijn beloken,
- bevrijt bewaert voor nijders treken,
- daer is volmaecte volle vruecht.
- wat minliker woorden machmen daer spreken,
- 35
- wat sueter accoort wert daer ontploken, vs. 35
- [f. 65 r°] wat troosteliker sin wert daer verhuecht,
- wat honich der talen sprect elck ter duecht,
- haer scheyden dunct hem een ontlijuen,
- al had ic den wensch der weerelt iuecht vs. 39
- 40
- ken souts te vollen niet connen bescriuen.
-
- Daer is onsprekelic een verblijden,
- daer sijn vergheten stont en tijden,
- daer is een iaer naw een huere,
- daer is secretelic hertelick lijden,
- 45
- daer is sulcke vruecht in allen siden
- tontvecht subtijlheyt elcks natuere. vs. 46
- o vruechdelike minne, o rieckende guere,
- dijn vermanen doen mi dooghen wrijuen, vs. 48
- al screuic dijn lof mijn leuen duere
- 50
- ken souts te vollen niet connen ghescriuen.
|
vs. 35 ontploken: ontvouwd, ten toon gespreid.
vs. 39 Wsch. ietwat corrupt; misschien is eeuwige jeugd bedoeld?
vs. 46 tontvecht enz.: wsch. corrupt.
vs. 48 doen: lees wellicht doet. - dooghen wrijuen: van verwondering?
|