[XLIII] NOTA

 Als op mi lacht een schone vrouwe,
 Als mi een coopman sweert op sijn trouwe
 En op mijn schouwer clopt een heere,
 Dan is mi te moede min oft meere
5
 Ghelijck als mi was te voren,
 Want ic en heb ghewonnen noch verloren.

[f. 65 v°] [twee houtsneden naast elkaar]