[p. 89]
*
|
* 18. HA.: Die ic oyt sach in mijnen sinne. 24. HA.: Lacen dat my nature / dit toegesworen heeft.
|
[XLIV] REFREYN [XLIV]
- O Wonderlic leuen hoe is dijn regieren nv,
- salt trat der auentueren dus lange verkeert gaen,
- hoe sal ic mijn sinnen dan bestieren nv
- die tuwaerts bloeme in duechden vermeert staen. vs. 4
- 5
- wat batet gheheelt, therte verseert saen
- mits dat haet en nijt dus ghesayt is.
- [f. 66 r°] hoe sal ic kerssouwe yemant dus ongeleert raen, vs. 7
- daer therte bedroeft ende ongepayt is
- so dat tstrael der minnen my hout geuangen hier?
- 10
- het wert gedarssen eert wel ghemayt is. vs. 10
- o Venus hoe hebdi mi verhanghen schier,
- wie mach ontganghen tvier
- dat liefde dus vierichlic ontsteken doet.
- sonder troost van dy lief therte breken moet.
-
- 15
- Troostelike bloeme, mijns herten beclijf, vs. 15
- mijn hope, mijn iuecht, mijn melodie,
- solaes der sinnen, dat minlijcxste wijf
- die god ye schiepe binnen sijnder yerarchie,
- wat doet ghi al ghequels ghi Ialousie,
- 20
- vermanende datse eenen anderen vercoren heeft.
- och twijuel, ghi valt mi so swaren partie, vs. 21
- wat batet gheseyt, ic bent diet verloren heeft,
- den sueten troost dat minlijcxste aenschijne;
- lasen dat mi natuere hier toe geboren heeft,
- 25
- dats mi te lijdene die swaerste pijne.
- o rosemarijne, gheeft my v te spreken spoet, vs. 26
- want sonder troost van di mi therte breken moet.
-
- Lasen aymy, wats mi gheschiet dus,
- [f. 66 v°] hoe muechdi mi dus ontroostelic gelaten dan,
|
[XLIV] De strophen hebben respectievelijk 14-13-13-15 regels; op grond van het rijmschema is het waarschijnlijk dat alleen de laatste strophe het juiste aantal heeft en de overige corrupt zijn; volgens het schema van de vierde strophen ontbreken er verzen tusschen vs. 8/9, 22/23, 25/26, 32/33 en 37/38.
vs. 4 tuwaerts ... staen: naar u haken. - in duechden vermeert hoort bij bloeme.
vs. 7 ongeleert: redeloos (vgl. vs. 3) - raen: beraden, raad geven.
vs. 10 De zin is: mijn liefde wordt neergeslagen voor zij haar vollen bloei bereikt heeft.
vs. 15 beclijf: voorspoed (Mnl. Wdb. I, 797).
vs. 21 valt mi ... partie: zijt mij vijandig.
vs. 26 spoet: (gunstige) gelegenheid.
|
[p. 90]
-
- *
- 30
- hoe comt dat ghi van mi vliet dus
- daer ic mijnen troost begost te vaten an,
- gheen droeuer en gaet op straten man,
- gheen vruecht ter werelt mi ghebaten can
- ten waer schoon lief duer ws raets ingheuen.
- 35
- int gronderen der liefden so moet ic beuen,
- wat reden is dese mijn hoochste vrouwe,
- die schoonste, die properste, die meest verheuen,
- die simpelste, deedelste sidi suete kerssouwe,
- vermaerde vrouwe verlocht mijn besweken bloet: vs. 39
- 40
- sonder troost van dy mi therte breken moet.
-
- Princesse, ic slecht, ruyt, in consten mismaect, vs. 41
- uwes niet weerdich tot gheenen vermane, vs. 42
- want liefde in vieriger liefden tuwaert blaect
- hopende altoos troost van v tontfane,
- 45
- duysent versuchten comen mi ane
- dat ic uwer talen dus int deruen sy.
- ic ben v gheuanghen, ic en weets tontgane
- voor dat v minne lief doet steruen mi;
- al waer ic coning, ic wilde wel eruen dy vs. 49
- 50
- in mijn rijcke, schoon iuechdelic rosier,
- [f. 67 r°] mocht ic vercoren v ionste verweruen vry.
- gheen troosteliker voor mi, vrouwe fier,
- boet mijn dangier, vs. 53
- so dat mi v liefde te wreken stoet. vs. 54
- 55
- sonder troost van dy mi therte breken moet.
|
vs. 39 verlocht: schenk verlichting.
vs. 41 mismaect: gebrekkig, onbekwaam.
vs. 42 tot gheenen vermane: in 't geheel niet (eig.: zoo dat men er niet over mag spreken).
vs. 49 eruen: (als koningin) laten deelhebben.
vs. 53 dangier: gebrek, leed; vgl. S. X, 11.
|
|
|