|
*
|
* 6. besorcht, bescadicht, HA.: versmadich. 17. engheliken, HA.: yeghelijcken.
|
[f. 71 r°] [XLVIII] REFREYN [XLVIII]
- HOe soude die natuere so bruesch, so heet,
- den gheest verblinden die gestadich leeft
- dat die redelicheyt om lief oft om leet
- van lieue scheyden soude sonder bescheet
- die elc haren troost so ghenadich gheeft.
- mijn siele weemoedich besorcht bescadicht beeft vs. 6
- int ouerdincken van haerder groter weerden,
- dat ic die so broosch moordadich sneeft
- onweerdich, catijuich, onberadich weeft, vs. 8/9
- 10
- mi dies voechde, so stout int aenveerden vs. 10
- dat onmoghelic ware om een volheerden
- sonder haer ghenade.
- si is een bloeme, een schoone gheerde, vs. 13
- en ic alleene in weene slijm der eerden
- 15
- vol misdaden.
- Tobias comt voort om een beraden vs. 16
- en wilt engheliken troost ingheuen
- op dat ic haer mijn pacxken mocht ontladen
- sonder begheuen gheduerich mijn leuen.
|
[XLVIII] Dit refrein, dat oppervlakkig gezien een gewoon minnedicht lijkt, blijkt bij eenigszins nadere beschouwing een lied van geestelijke minne te zijn, en hoort dus niet in deze afdeeling thuis; het is zelfs het eenige zuiver religieuze gedicht uit den heelen bundel (het tweede boek bevat alleen stichtelijke gedichten). Het ‘lief’ dat hier bezongen wordt is Maria, ‘procuratersse inden hoochsten raet’ (vs. 62); dat in vs. 63 van Iupiter gesproken wordt zou kunnen wijzen op een transpositie in de sfeer in de wereldsche minne, maar het kan ook een bedorven lezing zijn, daar verder alleen bijbelsche namen genoemd worden.
vs. 6 bescadicht: blijkens het rijm corrupt.
vs. 8/9 sneeft ... weeft: zondig leeft en streeft; vgl. Mnl. Wdb. IX, 2412-13.
vs. 10 mi dies voechde: mij daarin schikte -. De hoofdgedachte van vs. 8-12 is: dat ik, die zoo zondig leef en mij in dat zondig leven schik, het zonder haar (Maria's) genade niet zou kunnen uithouden.
vs. 16 comt indicatief of imperatief?
|
[p. 96]
-
- *
- 20
- Al haddic zara in minnen verchiert
- doors enghels ingeuen, Thobias getrouwe
- [f. 71 v°] door reynichede des bloemkens gheuiert
- ic en begheere wel ghemaniert
- tgesichte alleene, die bloeme van gouwe vs. 20-24
- 25
- op dat mijn siele inwendich beschouwe
- tgoddelic deel, haer vaderlijc erue
- die gegeuen sijn tot mijnen behouwe
- ende emmer lasen ghebruycken souwe vs. 28
- mer sonder haer eeuwich moten deruen, vs. 29
- 30
- dies schaemte mi dwingt so menich weruen
- bi dage bi nachte
- en soude lieuer duysent doden steruen
- met Ignacius mijn herte doorkeruen vs. 33
- in pijnen onsachte
- 35
- dan ic te minnen een ander bedachte.
- met gulden litteren staet si ghescreuen
- glorieus int herte daer ic na wachte
- sonder begheuen gheduerich mijn leuen.
-
- Al wilt mijn natuere van anderen spreken
- 40
- Dauid heeft mi een beter lesse gheleert,
- al heeft Rachel Lya vol duechden ghebleken
- die schone Sabel had ooc ghebreken, vs. 42
- tis quaet lief hebben daermen bi wert onteert.
- [f. 72 r°] al heb ic met Bersabea verkeert vs. 44
- 45
- onghestadich, verhaest, verdult,
- mijnen staet sal hopic werden vermeert;
- al heeft mi Sella en Ada vercheert vs. 47
- ic heb nv ghestadich een ander ghehult,
- weerdich te draghen een crone vergult
- 50
- bouen Hester schone.
- bi haerder gracie mindert vast mijn schult
- daer tvleesch en die weerelt spitich om brult
|
* 23. na, HA.: maer. 28. lasen, HA.: laten. 50. Hester, HA.: Pallas.
vs. 20-24 Deze passage is duister en wsch. min of meer corrupt; de bedoeling is wellicht ongeveer: boven een aardsche bruid, al zou mij ook een engel tot haar leiden, zooals Tobias tot Sara geleid werd, verkies ik de ‘bloeme van gouwe’, Maria.
vs. 28 ende emmer: en die ik altijd.
vs. 33 Ignacius: de H. Ignatius van Antiochië werd voor de wilde dieren geworpen.
vs. 44 Bersabea: Bathseba; de bedoeling is blijkbaar: met lichtzinnige vrouwen omgegaan.
vs. 47 Sella en Ada: Zilla en Ada waren de twee vrouwen van Lamech (Gen. 4 : 19). - vercheert: lees: verseert, of verheert, van verheren, te gronde richten.
|
[p. 97]
-
- *
- seer nijdich van thoone.
- had ic een opsien van haer te loone vs. 54
- 55
- so waer vergaen mijn natuerlijc beuen,
- dus moet icse louen ten hoochsten throne
- sonder begeuen gheduerich mijn leuen.
-
-
- Prince
- Si is princesse daert al aen staet
- sonder begheuen, gheen haers ghelijcken.
- 60
- mijn lief heeft die godlike practiken
- vertroostende den armen gelijc den rijcken,
- procuratersse inden hoochsten raet
- daer die god Iupiter sijn wesen op slaet vs. 63
- sonder begheuen tot allen tijen.
- 65
- si is der schoonder minnen een toeuerlaet,
- [f. 72 v°] den onghestadighe curabel quaet.
- die om haren wille natuerlic strijden vs. 67
- op dat wij sonder begheuen verblijden
- tsamen hier bouen vs. 69
- 70
- wilt gestadich in minnen met Ioseph rijden
- bouen sijn brueders haer ghebenedijden. vs. 70/71:
- int enghelic louen vs. 72
- heeft v den gheesteliken meelbuyl bestouen, vs. 73
- die bloeme is weerdich in duechden verheuen
- 75
- ic wilse verchieren haer stadich houen vs. 75
- sonder begheuen geduerich mijn leuen.
|
* 63. slaet, HA.: staet. 70. HA.: Int Enghelijck louen. 73. den gheesteliken, HA.: Geestelijck den.
vs. 54 opsien: (vriendelijke) blik; vgl. LXXV, 48; LXXVII, 32. vs. 58 en 59 moeten volgens het rijmschema verwisseld worden.
vs. 63 sijn wesen op slaet: eig.: zijn gelaat op richt; dus: naar luistert.
vs. 67 die: gij die ... - natuerlic strijden: in het natuurlijke strijdt (om in het geestelijke te winnen).
vs. 70/71: wilt steeds, als Jozef, haar (Maria, d.w.z. de goddelijke liefde) verheerlijken, en u zoo boven Jozefs liefdelooze broeders verheffen.
vs. 72 louen: wellicht woordspeling met Loven = Leuven?
vs. 73 De zin is wellicht: zijt gij door de geestelijke liefde in extase gebracht. Zie voor deze uitdr. nog Van Nyeuvont vs. 168 en aant.
vs. 75 houen: eig.: onderkomen verleenen, in zijn huis opnemen.
|
|
|