|
*
|
* 2. druc (CM.), v. D.: dinc; moet: doet. 4. dwelc, CM.: twelcken. 5. mocht, CM.: mochty. 7. werdick (v. D.: weerdich) onw., CM.: weert en onweert; BA.: weer en onweer. 8. Na ghetast bij CM.: een: 11. sint, CM.: Sindert dat. 16-17. nv ontbr. bij CM. 19. te, CM.: tot. 20-21. nv ontbr. bij BA.
|
[L]
- OLieflijc engien, schoon bloeme vercoren soet
- vol minnen, bi wien alle druc versmoren moet,
- dijn gesichte verstoren doet der herten last swaer,
- dwelc Venus brast claer. vs. 4
- 5
- o, mocht mi gescien geen lieuer geboren goet, vs. 5
- want noyt om sien scoonder rose op doren stoet.
- twert al verloren spoet, werdick onweerdich gast haer,
- so ben ic ghetast: maer vs. 8
- ist dat mijn liefde int herte wast haer,
- 10
- [f. 73 v°] so stae ic vast daer. och noyt sueter beelde,
- sint haer gesichte therte wten lijue steelde
- ic noyt en queelde, niet dat mi verveelde vs. 12
- haers bisijns weelde:
- van doen ic met haer eerst speelde noch therte blaect,
- 15
- der secreter liefden is gheen so volmaect.
-
- Och troost verweruen laet mi wt caritaten nv
- ende in v liefde eruen sonder verlaten nv,
- so dat ick mach vaten v ionste bequame
- te mijnder vrame.
- 20
- tresoor mijnder sielen, hoochste van staten nv,
- aensiet mijn ionste groot bouen maten nv,
|
vs. 4 brast: brouwt, bewerkt; vgl. CIV, 62.
vs. 5 mocht (lees: mochti) mi gescien: mocht gij mij ten deel vallen.
vs. 12 queelde: leed, had verdriet. - verveelde: te veel, onaangenaam was. - Vóór haers in vs. 13 is wellicht in weggevallen.
|
[p. 99]
-
- *
- te mijnder baten nv schoon lief eersame,
- ten wert v gheen blame.
- al ist lief, dat ick mi door liefde schame,
- 25
- waert dat quame dat ghi mi mocht gebueren,
- mi en rochte wat lijden ic moste besueren.
- tallen hueren achter en vueren moet ic spueren
- nae suchten en trueren,
- duert tderuen van v lief therte snaect, vs. 29
- 30
- der secreter liefde gheen so volmaect.
-
- V onblusschelike liefde groot ongemeten
- [f. 74 r°] doet mi vergheten drincken en eten,
- so ben ic vervleten op v lief amoreus. vs. 33
- . . . . . . . . . . . . . . .
- die claerheyt der hemelen, sterren, cometen
- 35
- passierdi in schoonheden; maer in secreten
- sonder yemants weeten hout mijn liefde melodieus
- seer virtueus,
- want in liefden gheen dinck so dangereus
- als die nijders preus die Iudas slachten. vs. 39
- 40
- dus bid ic v minlijc, wilt doch wachten
- en slaet gheen achten op quade ghedachten
- die de eedele reyn liefde versmachten, vs. 42
- want gheen dinc perikeloser, ic segt v naect.
- der secreter liefden gheen so volmaect.
-
-
- Prince
- 45
- O minsamige princesse, troost en confoort,
- met drucke vergoort so roep ic moort vs. 46
- als die oorboort druck en verdriet, vs. 47
|
* 22. te, CM.: om; nv ontbr. 27. tallen, CM.: Tot allen. 29. v lief enz., CM.: lieue dat therte smaeckt. 31. V, BA.: O. 33. vervleten, CM. en HA.: versleten; v: mijn. 36. yemants, CM.: yemant te. 36/37. melod. virt., bij CM. omgewisseld. 40. wilt, CM.: wilt v. 42. na liefde bij CM.: by daghen en nachten Dooden en versmachten. 46. vergoort, CM.: deurgoort; HA.: verstoort.
vs. 29 De var. heeft de juiste lezing.
vs. 33 vervleten: dol verliefd; vgl. S. CXCIV, 18; Hand. d. Amour. Bb 6 r°; Ee 4 r°.
vs. 39 preus: hoovaardig, boos.
vs. 42 versmachten: trans.: versmoren; vgl. ABN. XXIV, c, 10.
vs. 46 vergoort: eig. bevlekt, bezoedeld.
|
[p. 100]
-
- *
- my en gheschiet
- van dijnen liefliken monde een troostelic woort,
- 50
- want waer ic mi wende, zuyt, west oft noort,
- sonder v dunct mi reyn minnelijc accoort
- alle dinck niet.
- o Venus Venus, ghi sijt diet mi riet.
- [f. 74 v°] mijn ionste blaect tuwert bouen screuen,
- 55
- v bysijn dunct mi een paradijselic leuen,
- ic hebt beseuen dus wilt mi doch gheuen
- dijnen troost verheuen,
- oft anders bliuic totter doot gheraect.
- der secreter liefden is gheen so volmaect.
|
* 49. liefliken ontbr. bij CM.
|
|
|