|
*
|
* 1. Liefde, S.: minne; weluaert: weluaren goet. 4. fortune, S.: fortse. 5. dreygen, S.: dreyghement; minlike (S.), v. D.: weerlyke; leere, HA.: eere.
|
[LVI] REFREYN
- LIefde en aensiet weluaert noch eere,
- noch siele noch lijf, dat is noch meere,
- noch vrienden noch maghen,
- noch fortune noch cracht, noch prince noch heere,
- 5
- noch dreygen noch minlike leere
[p. 107]
-
- *
- [f. 79 r°] in gheenen daghen.
- minne is een eeuel quaet om verdraghen,
- het is een plaghe bouen alle plaghen
- die niemant ontsiet,
- 10
- en ghi mijn liefste weerste behaghen,
- die liefste die oyt mijn ooghen aensaghen,
- en bemerket niet
- om een woordeken dat met haeste is geschiet;
- sidi daerom verbolghen, dat gheeft mi vry. vs. 14
- 15
- ic bid v schoon troostken, merct mijn verdriet,
- lief heb ic v misseyt, vergheuet mi.
-
- Daert begrijp groot is, dair is die minne cleen, vs. 17
- exempel aen mannen en vrouwen gemeen
- in tijden voorleden.
- 20
- Narcisius quam in groten ween
- versmadende tghebruyck van vrouwen reen
- diet al verbliden.
- och wat moste die eedel Florencia lijden, vs. 23
- Estydes, Alexandra tallen tijden, vs. 24
- 25
- alst swijn voor die honden most strijden
- sonder confoort.
- doch dese vrouwen en waren niet gestoort
- [f. 79 v°] in gheenen woorden, ghemerct hoet si.
- aldus lief, heb dy wat oneffens ghehoort,
- 30
- lief heb ic v misseyt, vergheuet mi.
|
* 9. niemant, S.: niet en. liefste weerste, S.: lief myn wterste. 11. liefste, S.: scoonste; aensaghen: saghen. 12. bemerket, S.: bekent dat. 13. woordeken, S.: woort. 14. daerom ontbr. bij S.; gheeft, S.: vreemt. 15. Ic - troostken, S.: Bedenct v doch. 16. De stok bij S.: Heb ic v iet misseyt lief enz. 17. cleen: bij S. in dit en de volgende rijmen -(e)ij-. 19. N. quam, S.: Narciscus liet equo. 23. och ontbr. bij S.; Florencia: Florencius. 24. S.: Echites ende ende enax van alten syde. 25. S.: Ende amidas voirt Sinneloos en wisten si waer henen ryden. 27. dese vr. en waren, S.: en waren die vr. 28. ghemerct, S.: ghenoemt. 29. lief heb dy, S.: al hebdi.
vs. 14 gheeft: lees wsch. met S. vreemt: bevreemdt, verwondert. - vri: voorwaar.
vs. 17 begrijp: verwijt, critiek.
vs. 23 Florencia: Florentina de getrouwe uit het volksboek? vgl. echter S.
vs. 24 Estydes: lees Echites, een der hoofdpersonen uit den Roman van Limborch. - Alexandra:? - Tusschen vs. 24/25 en vs. 25/26 ontbreekt een vers.
|
[p. 108]
-
- *
- Al was Amnon om Thamar verslegen, vs. 31
- hi heeft loon na werck vercreghen,
- willet verstaen:
- had hi sijn vyleynighe woorden gheswegen,
- 35
- Absolon tot alder boosheyt gheneghen vs. 35
- en haddes niet ghedaen.
- al moste Iason die bitter doot ontfaen
- die Medeam tyrannelijck was ontgaen, vs. 38
- hi verdiende dat.
- 40
- dies ghelijcken dede oock Lansloot waen vs. 40
- die Sandrinen ghinck spreken schimpelic aen,
- segghende tfy, ic ben dijns sat.
- dese vrouwen hebben doch cause ghehadt,
- maer mijn misdaden en gheliken dair niet bi,
- 45
- tis min dan iock, verstaet doch dat,
- lief heb ic v misseyt, verghevet mi.
-
- Peyst dat die cracht van minnen
- bedwinghen can alle menschelike sinnen
- diet gaye slaet.
- 50
- [f. 80 r°] Adam liet hem van Eua verwinnen,
- Salomon van eender morinnen,
- tis groten scha,
- Sampson verloos sijn oogen door Dalida,
- Hercules verbrande duer Dyanira
- 55
- in voorleden iaren,
- Achilles wert doorschoten om Polexena
- ghelijck Agamennon om Clemestra,
- ende sijn qualic gheuaren.
|
* 32. werck, s.: wercken. 33. willet, S.: wiltet wel. 38. M. tyr., S,: tyr m. 40. Soe dede lanslot sonder waen. 41. ghinck, S.: dede. 42. segghende ontbr. bij S.; dijns: v. 43. doch, S.: wel. 44. maer ontbr. bij S.; misdaden: misdaet. 45. S.: Den staet mynre ioghet bekent enz. 48. can ontbr. bij S.; menschelike: manlyke. 49. gaye: gade. 51. van - morinnen, S.: van ertsche godinnen. 52. Tis, S.: dat was. 53. oogen, HA.: cracht. 57. ghelijck, S.: Egistus. 58. ende ontbr. bij S.
vs. 35 Absolon: lees: Ahasverus.
vs. 38 was ontgaen: had verlaten.
vs. 40 Lansloot: ook genoemd S. CI, 44.
|
[p. 109]
-
- *
- ick ben veel crancker, lief dan si waren,
- 60
- redene, verstant laet comen in dy;
- om een woordeken wilt niet gramschap baren,
- lief hebbic v misseyt, vergheuet mi.
-
- Ootmoedelic thoont v ghenadichede
- als die schoonste Oriandra dede, vs. 64
- 65
- oft Thisbe tot Pyramus,
- ende als die schone Lucresia mede
- haren lief Eurealus,
- ende als Ebriana den ionghen Ionathus, vs. 68
- als Breseda den vromen Troylus
- 70
- in die eerste hitte,
- [f. 80 v°] als Julia den amoreusen Protheus. vs. 71
- och lief, quijt v doch oock aldus
- en peyst doch ditte,
- waerwaert dat ic ga, sta, ligge oft sitte,
- 75
- mijn herte tot v roept, o lasen, o wy;
- o wtuercoren beelde sonder smitte,
- lief heb ic misseyt, vergheuet mi.
-
- Princesse alder princessen meest,
- als princesse princesselick gheest
- 80
- behoort te sijn ghenadich,
- als princesse princesselijck keest vs. 81
- door v princesselijckheyt blust mijn tempeest,
- al ben ick misdadich
- dijn princesselicheyt si mi beradich.
|
* 59. ben, S.: ben doch. 61. woordeken, S.: woert; gramschap: strancheyt. 64. S.: Alsoe die schone hero leandere dede. 65. tot ontbr. bij S. Na 65 bij S.: Als dido eneas mit soeter sede. 66. ende ontbr. bij S. 68. id.; Ebriana: ebreanus. 70. in die eerste (S.), v. D.: Die in deerste. 72. doch oock aldus, S.: in liefden dus. 73. peyst, S.: gepeynst. 74. waerwaert dat, S.: Weder ic; ligge: loop. 75. tot v, S.: dat. 76. wtuerc., S.: vercoren. 78. meest, S.: keest. 79-81. ontbr. bij S. 82. princesselijch., S.: princelych.; blust: blyft.
vs. 64 Oriandra: Orianda is een der figuren uit Madelgijs. - Tusschen vs. 66/67 ontbreekt een vers.
vs. 68 Ebriana: in de bewaarde fragmenten van Ionathas en Rosefiere komt deze naam niet voor.
vs. 71 Iulia ... Protheus: wsch. worden hier namen dooreengehaspeld die niets met elkaar te maken hebben.
vs. 81 keest: eig. pit, vrucht, en vandaar: beste, bloem (vgl. greyn).
|
[p. 110]
-
- *
- ick bliue dijn princesselicheyt ghestadich vs. 84
- 85
- tot in mijn doot.
- weerde princesse en sijt mi niet versmadich,
- ic bid v princesse, weest niet feldadich,
- blust mijnen noot.
- ic legghe mijn hooft in uwen schoot,
- 90
- princesse hebt doch compassie ghi,
- tsi in wercken cleen oft groot,
- lief heb ic v misseyt, vergheuet mi.
[f. 81 r°] [houtsnede]
|
* 83. princ.h., als bij 82. 84. id.; dijn, S.: uwe. 85. in, S,: an. 86. weerde ontbr. bij S. 37. S.: Princesse vol duechden onuersadich. 88. blust, S.: Aensiet. 90. doch ontbr. bij S.
vs. 84 beradich: genegen; behulpzaam.
|
|
|