[LVII] REFREYN
- ODruckich tempeest, doloreusen gront,
- hoe fraudich lopen mijn sinnen doorwont,
- wat is den opstel, trat der fortunen ront vs. 3
- drayt mi contrarie al euen crachtich.
- 5
- o Iupiters gracie maect mi ghesont,
- o Mercurius, Iuno, ghi weet den vont. vs. 6
- [f. 81 v°] melancolieus herte den druckigen mont,
- verdwijnende den gheest puer aelmachtich, vs. 7-8
- door een wiens liefde is mi voordachtich
- 10
- gheduerende is bliuende in drucs ghequel.
- o Neptunus, v conste groot eendrachtich
- baert doch in mi van onruste clachtich,
- desperatelick segghende door dit bestel:
- een ongherust herte slaept selden wel.
-
- 15
- Wat is melodieuser in sweerelts ommeganc,
- wat is meerder vruecht inder ooren geclanck
|
vs. 6 den vont: het middel (om mij ‘gezond’ te maken nl.)?
vs. 7-8 zijn wsch. corrupt. - aelmachtig: machteloos, uitgeput.
|
[p. 111]
-
- *
- dan dminnelic woort, troostbaerich ontfanc,
- van lieue tot lieue in liefden ghestadich,
- als Tristram Orestus sinen lieue hanck
- 20
- die vanden slote in een mande sanck vs. 19/20
- schinckende voor danck confortiuen dranck
- die den druckighen troost was beradich. vs. 22
- Athamesia sach haren man onghenadich vs. 23
- verslaen en brenghen ter doot rebel;
- 25
- si puluerisierde dlichaem met tranen badich
- hem drinckende voor dranck vroech en spadich,
- claghelic seggende duer mijn fantasie fel:
- een ongherust herte slaept selden wel.
-
- [f. 82 r°] Als ic peyse hoe die ytaliaensche maecht vs. 29
- 30
- die haer liefs hooft, so die poete beclaecht,
- heeft duer liefde die menighen plaecht
- wt liefden in een genoffel plante geplant
- ende met heeten tranen heeft si ouerlaecht vs. 33
- die plante daghelicx ontroostich bedaecht, vs. 34
- 35
- vol onrusten ghepeysen was si beknaecht
- want niemant en was haer onderstant,
- desperatelic roep ic op v playsant
- om troost van v, ick en gheere niet el.
- maer ghi sijt verhardt als een Dyamant,
- 40
- mi luttel achtende aan elcken cant,
- dus mach ic wel segghen in mijnen rel: vs. 41
- een ongherust herte slaept selden wel.
-
-
- Prince
- Men siet duer elcke scheedinghe
- coeuer brengt verleedinghe. vs. 44
- 45
- mijn druck is anderen solaes en spel,
- die tonghe is den gront der herten beredinghe
|
* 47. beredinghe, HA.: becleedinge.
vs. 19/20 Waar dit op slaat is mij niet duidelijk.
vs. 22 troost was beradich: vertroosten wilde.
vs. 23 Athamesia: Artemisia, gemalin van Mausolus, koning van Karië, voor wien zij het Mausoleum liet bouwen. Het hier vermelde verhaal berust op Val. Maximus en Aulus Gellius; men vindt het b.v. ook bij De Brune, Wetst. d. Vern. I, 171.
vs. 29 vg. Dit verhaal vindt men bij Boccaccio, Dec. IV, 5.
vs. 34 bedaecht: van bedagen in den zin van: overkomen, treffen (Mnl. Wdb. I, 610)? eer corrupt.
vs. 41 rel: betoog (gewoonlijk ongunstig; vgl. A. Bijns, Ref. bl. 23).
vs. 44 coeuer: overvloed. - verleedinghe: afkeer, walging. De bedoeling is wsch.: door te veelvuldige omgang vervreemden gelieven soms van elkaar.
|