[LXI] REFREYN
- ALs dauentuere in dees huere so gebiet
- te scheyden sonder verbeyden, tis verdriet,
- tis claer en seer swaer om dat te lijden.
- ic seg adieu, troosteloos grijf, alst anders niet
- 5
- en mach wesen te desen, ic moet vermijden. vs. 5
- adieu vol alder duecht, gi versmoort mijn iuecht in allen tijden,
- [f. 85 v°] adieu is dwoort en oock die moort mijns herten bloet,
- adieu lief geprezen, alst emmers wezen moet.
-
- Och tscheyden van ons beyden mi ter doot brinct.
- 10
- doort deruen moet ic steruen, want mi de doot crinct.
- ic ben altijt sonder respijt doorvuert int wesen, vs. 11
- en neemt in peyse dat ick reyse, dies pijn therte dwingt.
- adieu die schoonste, gecroonste, ghepresen,
- daer therte van smerte af plach te ghenesen,
- 15
- die mijn sinnen van binnen deerlic trueren doet.
- adieu mijn soetste, vroetste, reyn wtgelesen,
- adieu lief gepresen, alst emmers wezen moet.
|
vs. 5 vermijden: lees wellicht verrijden (vgl. vs. 12), of v mijden. Tusschen vs. 7 en 8 ontbreekt een vers.
vs. 11 doorvuert: doorboord (door de liefdepijl).
|
[p. 116]
-
- Oorlof is pijnlijck, aenschijnlick, diet proeft die weet.
- als oorlof ghebuert en minne schuert, dwerck is seer wreet.
- 20
- door den oorlof der minnen hof seer wert gheschent,
- nochtans moet ic te hans van scheyden spreken heet.
- ionstige iuecht en alle vruecht wert torment
- [f. 86 r°] wanneer men niet meer en wert bekent
- van lieue mits ongrieue dwelc scheyden doet.
- 25
- adieu suet grein, proper en rein, seer net en yent,
- adieu lief geprezen alst emmers wezen moet.
-
-
- Prince
- Adieu is dwoort dat doorboort therte duer tverlinghen; vs. 27
- adieu is tfenijn dwelc met pijn vruecht wilt tonderbringhen.
- adieu te seggen en dat te ouerleggen vander liefster vercoren,
- 30
- hoe wee dat doet sijt des wel vroet, int herte binnen,
- dat machmen vraghen. si sullens gewagen die amoreuse sinnen,
- met wat rouwen een hert vol trouwen moet versmoren
- alst moet scheyden sonder verbeyden maer metter spoet;
- dan moet trueren tot allen hueren en therte met versuchten schoren.
- 35
- adieu lief gepresen alst emmer wezen moet
|
vs. 27 verlinghen. verlangen; vgl. XVIII, 14.
|