[f. 101 r°] [LXXIV] REFREYN
- GHI ionge wellustige coren weeldekens vs. 1
- die van eenen ponde chijs aes maken, vs. 2
- siende dees schoon leuende beeldekens,
- dinckende hoe mocht ic daer aen gheraken,
- 5
- spaert gheenen cost, tsijn al cleen saken,
- in mommerijen oft in bancketten
- recht oft ghi tghelt hadt van .vij. craken, vs. 7
- peysende men macht mi niet vernetten. vs. 8
- willen v vrienden v dan dat beletten,
- 10
- segt tmacher af, oft wat wildi veel kijuen.
- al soudi v hondert pont tachter setten,
- men mach gheen gelt eeten, tsou ons verstijuen,
- tgoet hoort der werelt, het moet daer blijuen.
-
- Die in Venus prieel iolitelicst verblijen,
- 15
- die tallen kermissen mildelicst gheuen,
- die alomme eel sijn om tsijne verheuen, vs. 16
- die den meynacht planten met scriften gescreuen, vs. 17
- die tot brugge hem tweester een schip gaet hueren, vs. 18
- die altijt hueschelicst en rustelicst leuen vs. 19
- 20
- en bi gheen ghelt en can ghedueren,
- [f. 101 v°] die al lachende bijstier werden en niet te voren, vs. 21
- die van wijftich connen tellen tot vijuen,
- dees singhen iolitich als blinden trueren:
- heyda weest vrolic, laet vruecht bedrijuen,
- 25
- tgoet hoort der weerelt, het moeter blijuen.
-
- Suyker met pollepels dats nv den aert,
- een gebraden boterken gheen cost gespaert,
- na maeltijt ypocras dats een ghilde, vs. 28
|
vs. 1 corenweeldekens: wittebroodskinderen; vgl. S. LXXXIII, 1.
vs. 2 chijs aes: term uit het dobbelspel (zie Mnl Wdb. I, 198; VII, 1112; Veelderh. Gen. Dichten 77; Spieg. d. Minnen vs. 2470); de bedoeling is: bij wie een pond zoo gewonnen en zoo geronnen is. De druk van 1548 heeft: ‘van een ponde sjaers deynde maken’.
vs. 7 craken: handelsschepen.
vs. 8 vernetten: overtreffen, beter doen; vgl. CLI, 35; ABN. XL, f, 7.
vs. 17 den meynacht planten: ‘meinachten’, d.i. volg. Ter Gouw, Volksverm. 135, het uittrekken van het meigild in den nacht van den eersten Mei; vgl. ook het meilied nr. CXXXII in het Antw. Liedb. - met scriften gescreuen: vgl. het lied in Musyckb. v. Tielman Susato (ed. Van Riemsdijk), blz. 21: ‘Die mey wil ick haer gaen planten met dicht, met spel, met sanck soet’.
vs. 18 hem tweester: met z'n tweeën.
vs. 19 rustelicst: lees wellicht costelicst?
vs. 21 bijstier: platzak. - niet te voren: druk 1548: niet te vueren (terecht), niets uitoeren.
vs. 28 dats een ghilde: zoo betaamt het iemand die tot de ‘gilde’ (vgl. XXXIX, 42) behoort.
|
[p. 136]
-
- *
- fysanen, lampraeskens, lopende int wilde,
- 30
- snoecken bereyt in amandereyt, vs. 30
- stuer en salm wient deert oft schilde,
- eenen harinck eenen stuuer eermer na beyt, vs. 32
- eyerkens als rooskens net bespreyt,
- Inghelsche tartkens voor deedele lijuen,
- 35
- een amandel boterken ons ooc wel greyt,
- laet al comen al souder pouer beclijuen,
- tgoet hoort der werelt, het moeter blijuen.
-
-
- Prince
- Een doyerken wt gheblasen
- ghemenghet met specien menighertiere
- 40
- ghebraden aen een stecxken, tsijn vijse vasen, vs. 40
- [f. 102 r°] ghedroept met boter heet aenden viere,
- okernoten in wijn ghesoden al is hi diere,
- ghepelt, ghesuuert, ter eeren van wijuen,
- pasteykens bereyt na leckeren bestiere,
- 45
- non fortse al costet gulden schijuen,
- tgoet hoort der weerelt, het moeter blijuen.
[twee houtsneden naast elkaar]
|
* 30. amanderyt, HA.: Amanderije. 40. HA.: Pasteykens in leckeren biere.
vs. 30 amandereyt: hetzelfde als amandeleyt, amandelpudding (Mnl Wdb. I, 386)?
vs. 32 liever een stuiver voor een haring geven dan er op wachten.
vs. 40 vijse vasen: beuzelarijen; vgl. S. LXXII, 54; LXXVI, 51; LXXVIII, 38.
|