[LXXIX]
- [f. 109 v°] O God Cupido hoe doorschieti mi
- Mit uwen strale duer Venus gebot,
- Ic sta bedwelmt inder minnen smerte
- Dat ick nau en kenne dwitte voor tswarte,
- 5
- Mijn sinnen sijn verstroyt so help mi god.
- O venus godinne twi ontslootti tslot
- Der stralender oochskens die mi doorulogen
- Mits so vierigen heeten gheschot
[p. 145]
-
- Dat mijn herte wort onder tnet ghetogen
- 10
- Van liefden, dat niet en is mijn vermogen
- Tontgane den strick der reynder kersouwe.
- Huer eerbaer wesen dats onghelogen
- Es weert te gebruken, een weerelt van gouwe,
- Totter doot toe bliuic haer diener getrouwe,
- 15
- Non fortse crighic druck te loone, vs. 15
- Nemermeer en spant ander int hert de crone.
-
- O weerde gheminde reyn ghemanierde,
- In mijn herte schoon bouen alle bloemen,
- Doe den brant uwer minnen mi doorvierde
- 20
- Mi dochte datmen venus tempel vercierde
- Met minnaers die ontellijc sijn om noemen
- Seggende te mi ghi mocht v beroemen
- [f. 110 r°] Van gelucke, dus wilt ons seggen danc.
- Schimpers en niders wilt die verdoemen vs. 24
- 25
- En spiegelt v in dit schoon aenschijn blanc,
- Laet der minnen cours recht hebben ganc
- Want dits de ghelijcheyt uwer natueren. vs. 27
- Dies ic v doe gheheel mijn herte scanck
- Ende sal ten eynde mijns leuens ghedueren,
- 30
- Al soudic daer omme de doot besueren.
- O weertste bouen alle vrouwen schone,
- Nemmermeer en spant ander int hert de crone.
-
- Al de minnaers die in tijden voorleden
- Met den ploech der minnen waren beswaert vs. 34
- 35
- En waren noyt so swaerlic bestreden
- Als icke, dus wort v van mi ghebeden
- Vwen goetwilligen armen dienaer spaert
- Want natuerlic so is der vrouwen aert vs. 38
- Tot compassien meestdeel ghenegen.
- 40
- Dus dan dat in v is doch openbaert
- Ende wilt den aert der compassien plegen,
- Mijn goetwillige ionste wilt die wegen
|
vs. 15 crighic: druk 1548: al crijge ic.
vs. 27 de ghelijcheyt uwer natueren: dit ziet wsch. op de leer der temperamenten, volgens welke men alleen liefheeft wie dezelfde complexie heeft; zie b.v. Van der Feesten (in Verwijs, Van Vrouwen ende van Minne) vs. 485 vgg., en Van Eyck daarover in Tijdschr. 1939, blz. 12.
vs. 34 ploech: de liefde werd vaak vergeleken met een juk dat men dragen moet; vgl. LXXV, 13: ‘Venus lamoen’).
|
[p. 146]
-
- Mer niet mijn macht die met allen cleyn es;
- Waert mogelic ghi wort int goude beslegen
- 45
- [f. 110 v°] Van mi door liefde die tuwaert reyn es
- En so lange als dlichaem in swerlts pleyn is
- So logeert v mijn herte als inden troon:
- Nemmermeer en spant ander int hert de croon.
-
- Paris en was noyt so in liefden vergect
- 50
- Op Helena noch Troylus op Briseyda,
- Mijn herte duystwerf meer tuwaert trect.
- Och mocht v tsecreet mijnder herten zijn ontdect
- So warick seer vrolic ende wel ghemoet;
- Tis al tuwen beste, ziel, lijf ende goet,
- 55
- Thangt al aen v mijn leuen mijn steruen:
- Wildi, ghi doet mi steruen metter spoet,
- En wildi, ghi moecht mi in vreuchden eruen.
- O gheminde laet mi doch troost verweruen,
- Gheeft mi balseme mijnder qualen gesonde, vs. 59
- 60
- Dats uwen troost, wil druck afkeruen, vs. 60
- Gheneest mijn smerte der minnen wonde.
- Al mochtic hebben die heel werelt int ronde
- Met een ander, ic en achtes niet een boon,
- Nemmermeer en spant ander int hert de croon.
-
- 65
- Al warick een heere van alder werelt,
- Hebbende tienvuldich Sampsoms cracht,
- [f. 111 r°] Sijnde bouen al dat leeft bepeerelt, vs. 67
- Nemmermeer en wordic also verkerelt vs. 68
- Dat eenich ander sal comen in mijn gedacht.
- 70
- Mijn gepeysen sijn bi v dach ende nacht,
- Therte es v subiect ende onderdaen,
- Dus, weerde gheminde, mijn ionste doch acht
- Ende laet mi doch confoort van v ontfaen.
- Ghemissic uwen troost, reyn minlic graen,
- 75
- So steruic door v Venus martelare
- En wildi v gracie ouer mi slaen
|
vs. 60 afkeruen: te niet doen; vgl. ABN. XLVIII, a, 6.
vs. 67 bepeerelt: eig. met paarlen versierd, dus: uitblinkend.
vs. 68 verkerelt: verdorven; vgl. Hand. d. Amour. E. 5 r°.
|
[p. 147]
-
- So wordic verlost van allen vare.
- En al soudicker om steruen in pinen sware,
- Ghetrouwe bliuick in claren betoone:
- 80
- Nemmermeer en spant ander int hert de crone.
-
-
- Prince
- Princesse bouen alle princessen ient,
- Gheen ander en comt int herte binnen
- Dan ghi, mijn weertste pincesse excellent.
- De goetwillicheyt van uwen dienaer bekent
- 85
- Ende verconforteert mijn doloruese sinnen,
- Princesse gheeert bouen keyserinnen
- Oft conninghinnen ter werelt leuende,
- [f. 111 v°] In mijn herte doer bedwanc der minnen
- So bin ic mi seluen gheheel v gheuende.
- 90
- Al bin ick doer v suchtende, beuende,
- Nonfortse, mach mi noch troost ghenaken vs. 91
- Ende mi v ionst mach aen sijn cleuende
- So wordick voor galle noch honich smakende. vs. 93
- Etende, drinckende, slapende, wakende
- 95
- So peynsic om di vry sonder hoone:
- Nemmermeer en spant ander int hert de crone.
|
vs. 91 ghenaken: druk 1548: sijn genakende (terecht).
vs. 93 noch ontbr. in druk 1548.
|
|
|