|
*
|
* 1. Och, RR.: O.; HA.: Och dat ghy mijn herte niet en kent. 3. vrou, RR.: hert; HA.: minnaer. 5. hi, RR.: sy; Gaeft ghy.
|
[LXXX] REFREYN [LXXX]
- OCh God die alle herten kent,
- In wat nooden ben ick nv ter tijt;
- Noit vrou en leet swaerder torment
- Dan mijn arme herte nv en lijdt.
- 5
- Gaue hi mi troost ick ware verblijdt
- Dien ick minne ende seer vrese te verliesen.
- Van groten druck mijn herte splijt:
|
[LXXX] Dit refrein heeft twee stokken: behalve de laatste regel van iedere strophe is ook de zesde telkens gelijk (alleen in de eerste strophe iets afwijkend). S. CVIII vertoont dezelfde eigenaardigheid.
|
[p. 148]
-
- *
- Ick en sal voor v gheen ander kiesen.
-
- Gherechtige liefde in mi ghesticht
- 10
- Wt groter liefden moet ick dit scriuen,
- Om uwent wille heb ick dit ghedicht,
- Och lief mocht mi v ionste becliuen.
- [f. 112 r°] Ic en weet van rouwe wat bedriuen,
- Van minnen sal ick mijn sinnen verliesen;
- 15
- Al soudick seluen daer om ontliuen vs. 15
- Ick en sal voor v gheen ander kiesen.
-
- Ander en kiese ick nemmermeer
- Al soudicker om steruen duysentich dode,
- Van liefden doet mi mijn herte so wee;
- 20
- Troost mi doch door die liefde van gode,
- Lijf en siel staet tot uwen ghebode.
- Van minnen sal ick mijn sinnen verliesen,
- Troost mi lief, ick ben in node,
- Ick en sal voor v gheen ander kiesen.
-
- 25
- Och lief mach ick tegen v niet spreken
- So is mijn hopen al ghedaen;
- Van liefde sal mi mijn herte breken,
- Van rouwe so en weet ick wat aengaen;
- . . . . . . . . . . . vs. 29
- 30
- Van minnen sal ick mijn sinnen verliesen,
- Al soudicker die doot voor ontfaen
- Voor v en sal ick gheen ander kiesen.
|
* 8. Ick - v, RR.: want voer u en sal ick. 9. mi, RR.: u. RR.: uwen. 12 en 13. bij RR. omgewisseld. 13. bij RR.: op dat ghy daer mocht vruecht bedryven. 12. mi, RR.: nu. 16. Ick - v, RR.: voer u en sal ick. 18. duysentich, RR.: duysent. 19. so wee, RR.: seer. 20. door die, RR.: om de 20-21. bij HA.: Benout als door ghebreck van broode In dien ghy my veracht als de snoode. 23. mi, RR.: my nu. 24. Ick - v, RR.: want voer u en sal is. 27. mi ontbr. bij RR. 28. so ontbr. bij RR. Tusschen 28 en 30 bij RR.: Troost ghy my nu niet met woorden saen.
vs. 15 seluen: druk 1548: mi selven.
vs. 29 Dit ontbrekende vers is in fragm. druk 1548 gedeeltelijk bewaard: ‘Troost ghi mi niet met wo...’; vgl. de var.
|
[p. 149]
-
- *
- Wat heb ick menigen heten traen geweent
- Daer mi natuerlike liefde toe dwanck,
- 35
- Nochtans was v herte also versteent
- [f. 112 v°] Dat ghi v verblide als ick was cranck;
- O god almachtich ick neemt in danck,
- Van minnen sal ick mijn sinnen verliesen,
- Laeft mi lief met troostigen dranc,
- 40
- Ick en sal voor v gheen ander kiesen.
-
- Och is dit die trouwe, is dit die iuecht, vs. 41
- Is dit mijn goede vrientscap reene,
- Is dit den troost van mijnder ionger iuecht
- Die was tusschen ons beyden alleene.
- 45
- Ick mach wel clagen met swaren weene,
- Van minnen sal ick mijn sinnen verliesen,
- Troost mi lief en laet v gaen te beene;
- Voor v en sal ick geen ander kiesen.
-
-
- Prince
- Daer om princesse, alle ghi amoreuse sinnen
- 50
- Als ghi wilt minnen mint al met mate
- En laet v liefde aldus niet volkinnen, vs. 51
- Ic hebber bi geheleden grote achterbate,
- Ic lope gelijc een hont lancx der straten;
- Van minnen sal ick mijn sinnen verliesen,
- 55
- Gheeft mi mijn troost dien ick niet en verlate
- Want voor v en sal ic geen ander kiesen.
Finis.
¶ Hier na volgen die Refreynen van sinnen.
|
* 35. also, RR.: soo. 37. HA.: Maer eylaes ic moet al nemen in danck. 41. die iuecht, RR.: de duecht. 45. mach - clagen, RR.: macht - beclagen. 47. mi, RR.: my nu; laet: latet. 48. Voor, RR.: want voer. 49. princesse, RR.: Princherssen. 50. met mate, RR.: by maten. 51. volkinnen, RR.: volkimmen. 53. lancx der straten, RR.: achter strate. 55. mi - ick, RR.: nu troost my, die u.
vs. 41 iuecht: lees wsch. met RR. duecht.
vs. 51 volkinnen: geheel, ‘vol’ worden, dus: u geheel beheerschen.
|
|
|