[LXXXI]
Peyst wat den tijt es wanneer hi leden es
REFREYN
- OSondich saet, Adams broetsele,
- Die vroech noch laet en hebt beuroetsele vs. 2
- Maer neemt v voetsele int sondich belijt,
- Dijn oogen slaet, twort v een boetsele,
- 5
- Tot gods raet inder duecht versoetsele,
- Deewich behoetsele v dan beurijt.
- Denct waen ghi quaemt, wie ghi sijt;
- Al mach v profijt oft vruecht om ringen, vs. 8
- Wi en hebben hier gheenen vasten tijt,
- 10
- [f. 114 r°] Dach noch respijt dan na gods gehingen.
- Dus laet berou int herte dringen,
- Wilt biechte voortbringen soot wel in seden es,
- So muechdi sviants listen ontspringen,
- Ende wildi v metten inghelen mingen
- 15
- Peyst wat den tijt es wanneer hi leden es.
-
- Peyst om die dagen voor ghepasseert
- Die om tbehagen v net palleert vs. 17
- En meest regneert na ghelt en goet. vs. 18
|
vs. 2 beuroetsele: inzicht, verstand.
vs. 8 vruecht: fragm. druk 1548 heeft duecht.
vs. 18 regneert na: zich richt -, afgaat op.
|
[p. 151]
-
- *
- Ghi muecht wel clagen die dus glorieert,
- 20
- Int druckich knagen wort ghi gepuneert
- Oft accordeert inder duechden vloet.
- Denct om die arm siel wat ghi doet
- Diet namaels moet al heel betalen,
- Denct die vier wterste, weest wijs en vroet, vs. 24
- 25
- Twort v behoet der helscher qualen;
- Laet gods passie int herte dalen.
- Dijn vruecht sal smalen die vol wreetheden es,
- Emmer wildi v siele in vruechden palen vs. 28
- So moetti v sonden dick ouerhalen; vs. 29
- 30
- Peyst wat den tijt es wanneer hi leden es.
-
- Voort ouerdinct wel uwen last;
- [f. 114 v°] Die siele crinct, v sonde wast,
- Een yegelijck tast met hoopen groot, vs. 33
- Men danst, men springt, men hoeft, men brast,
- 35
- Men clinct, men singt met vruechden vast,
- Niemant en past op dhuere der doot.
- Nochtan moet elck inder laetster noot
- Tdeerlijc exploot des lichaems ontfaen;
- Als dan ten eynde gherolt is den cloot
- 40
- Dan roeptmer bloot alle santen aen.
- O menschen twaer beter in tijts ghedaen,
- Dus betert v saen die hier beneden es,
- Wildi in state van gracien staen
- Ende namaels gods rijcke ontfaen,
- 45
- Peyst wat den tijt es wanneer hi leden es.
-
-
- Prince
- Prince, men mocht v de duecht niet ontpluken
|
* 22. arm, TE.: arme. 27. die (S.), v. D.: dine; wreeth., HA.: boosheden. 30. Peyst, S.: en peijst. 35. clinct, S.: drinct. 37. Nochtan, TE.: Nochtans. 40. bloot alle santen, HA.: Godt om ghenade. 41. menschen, S.: mensche. 46. Prince(2) ontbr. bij S. en TE.
vs. 24 die vier wterste: nl. de dood, het oordeel, de hel en de hemel. Er bestaat een volksboek De vier Vtersten (Antw., Vorsterman, 1511); De Roovere behandelt dit thema onder den titel ‘Een goet vermaen’ (W erken, 38 vg.). Zie ook CI, 54.
vs. 28 in vruechden palen: in de (hemelsche) vreugde bevestigen.
vs. 29 ouerhalen: overpeinzen.
vs. 33 tast, van tassen: opstapelen, bijeengaren.
|