[LXXXII]
Ende spiegelt v aen mi so doedi wijselijc
REFREYN
- DOen ic verherdt werde gelijc enen tegele,
- [f. 115 v°] Brekende de weerde wtuercorne regele
- Van gode ghestelt,
- Doen sant mi god sijn signet ende zeghele
- 5
- Om dat ick mijn broeders soude zijn een spegele
- In dit aertsche velt.
- Tvolc seyt god ist hem sculdich aldus tsijn gequelt; vs. 7:
- Mijn misdaet seggense bleec te menichfuldich.
- Mer al heeft god mi betaelt sonder gelt,
- 10
- Ic duchte hi bliuet sulcke seggers sculdich.
- Tfi, is tvolc om iugeeren so ghehuldich vs. 11
- Daer deuangelie seyt men sal niemant iugieren.
- Mer mach ic mijn lijden dus dragen verduldich,
- Ic hope tsal al mijn misdaet verchieren.
- 15
- Aldus broeders wilt voort an duecht hantieren,
- So moechdi ontgaen de helsche pine afgriselic.
- Schwt sonde, laet uwe gheplegen manieren
- Ende spiegelt v aen mi so doedi wijselic.
-
- V dunct recht dat eertsch is sal ewich gedueren,
- 20
- Mer ghi en sijts versekert iaer dach noch vren.
- Hoe ghijt keert oft wendt
|
vs. 7: God moest hem wel zoo straffen.
vs. 11 ghehuldich: geneigd (gewoonlijk is de bet.: genegen).
|
[p. 153]
-
- *
- V huys en staet maer op verrotte mueren,
- Ende ghi hebt so vele schone figueren vs. 23
- [f. 116 r°] Int oude testament
- 25
- Ende dagelicx int nieuwe, tfy blijfdi dus blent. vs. 25
- Adam is voren met al den sijnen vs. 26
- Ende ghi sijt omringt van sdoots serpent;
- Tis tijt, wilt v haest ter beteringen pijnen,
- Want als v de wolcke des doots sal beschijnen
- 30
- Tmorseel werdt bitter ende onuerdouwelick,
- Nochtans en baet geen lachen oft grijnen
- Elc moet dat smaeken al esment verspouwelic.
- Och broeders, scaemt v te breken v houwelic
- Want tes een sonde van elcken misprijselic;
- 35
- Neemt weldoen ane, sijt archeyt verspouwelic vs. 35
- Ende spiegelt v aen mi so doedi wijselic.
-
- Al loopic ter Iordane bi nachte bi dage,
- Ken vinde Helizeum niet wie dat icx vraghe
- Ghelijck Naaman dede, vs. 39
- 40
- Dus bliuic geerft aen dese swaer plage
- Als Maria moises suster, hoort mi behage, vs. 41
- Verbeydende gods vrede.
- O broeders die sidt in ghesondichede,
- De koeyen lopen tuwens al onghebonden;
- 45
- Ghi besoect so menige diuersche stede,
- [f. 116 v°] Ic ducht ghi v dicwils besmet met sonden.
- Eylacen, dinct op Iheronimus vermonden,
- Die trompet des oordels altijt hadt int ooren; vs. 48
- Dus bid ic v, wilt dit vonnisse gronden
- 50
- Ende maect tegen den here uwen pays te vooren.
- Dinct op die blijscap der inghelen choren
- Dair de here met glorien de goeden wert spiselic,
- Wilt vleyschelike begeerten wt v verstoren
|
* 30. Tmorseel, HA.: t Brockxken. 35. versp., HA.: verschouwelijc. 44. mi behage, HA.: mijn gewaghe.
vs. 25 dagelicx: lees wellicht: desgelicx.
vs. 26 is voren: is u voorgegaan (in het graf).
vs. 35 verspouwelic: wsch. corrupt (onder invloed van 32); lees wellicht: berouwelic.
vs. 39 Naaman: zie Lukas 4 : 27.
vs. 41 Maria: thans meer bekend als Mirjam - hoort: wsch. corrupt; lees: hoet?
vs. 48 trompet: fragm. druk 1548 heeft Diet trompet; dit werd dus ook onzijdig gebruikt: zie ook eenige voorb. in Mnl Wdb. (dat als geslacht alleen m. en vr. vermeldt) schijnbaar zonder lidw., maar wsch. met geassimileerd lidw. als neutrum.
|