|
* Opschr. (en stokregels) gheten, S.: ghegeten.
1. O, S.: Och. 2. och ontbr. bij S. 5. Voor - wordi, S.: Wel ruijkende bloymken ghy wert vast. 8. sidi van geeste, S.: is v siele; dlich.: v lich. 11. vrouwen, S.: vroukens; befaemdi: bescaemdj. 12. raets, S.: raet. 14. S.: neemt toch tuwerts dese mate vol troosts gemeten. | |
[LXXXIII]Al sidi ghebeten ghi sen sijt niet ghetenREFREYN
|
vs. 10 die maecht hiet: die eens maagd genoemd werd.
vs. 11 befaemdi: maakt gij te schande.
|
|
* 18. geschent ontbr. bij S.
19. schandelic die plach, S.: vrouken ghy pleecht. 22. Putiph. wijf, S.: Putifer. 23. Ionadaps, S.: schoonen;HA.: Jonadas. 25. bemint, S.: bekint. 27. docsuyn, S.: or swyn; is (1) ontbr.; HA.: Al zijdy quaedt ende vals in u vermeten. 28. Ihesus (er staat: Ihūz) ontbr. bij S. 29. Siet, S.: siedj. 33. Veronus, S.: Neronus. 34. verscr. v.s., S.: verscricte van binnen. 35. ontbr. bij S. 37. tot deser, S.: dees totter. 38. merct, S.: Denct; beginnen: sinne. 39. haer ontbr. bij S. vs. 18 Dijna van Sichem: zie Genesis 34 : 2.
vs. 20: vgl. vs. 26.
vs. 21 Raab: Rachab; zie Jozua 6 : 17, 23. Vgl. v. Dis 269, vs. 244 A.
vs. 23 Ionadap: zie 2 Sam. 13 : 3-5.
vs. 27 docsuyn: de oorzaak. - is: druk 1548: in.
vs. 31 Pelagia: wsch. de H. Pelagia van Antiochië, bekeerd door zekeren bisschop Nonnus.
vs. 37 tot deser: lees wsch. met S. dees totter.
vs. 38 vg. Deze zin loopt niet af.
vs. 41 Maria van egipten: heilige, † 12 April 421. ‘Zij gold als een voorbeeld van heiligheid na een zondig leven’ (Kath. Encycl. XVII, 214).
|
|
* 43. S.: volcht Magdalenen ten voeten goods gheseten.
44. S.: Dees hebben hen noch salich tsamen gherete. 46. S. na Pey(n)st: doch. 48. v(2), S.: v nu. 49. de, S.: dan die. Van 49 tot 56 is de volgorde bij S. anders. 50. Peyst - sijt, S.: Kee wordi een meshoop nu; tvoetv. (HA.): v. D. tvoetfulsel. 51. S.: Een voetsel voer heren ende ondersaten. 52. int - sidi, S.: vrouken oude sonders. 53. dat ontbr. bij S. 54. sotte, S.: die dwase. 57. worden - verdoemt, S.: wordi van god int ordel. 59. want ontbr. bij S.: leyder: lacen. 61. S.: Ghy waert een cameriere. 63. gesopt, S.: behanghen. 65. ontbr. bij S. 66. versl. roosken, S.: verflout bloimken; der verdr.: ende verdroocht. vs. 50 tvoetvutsel: voetveeg; vgl. V anden x. Esels 11: ‘Die man ... en salse (zijn vrouw) niet verachten als ziin voetfutsele.’
vs. 59 scaemtschoen: zie nog S. CLXII, 23; Mnl. Wdb. VII, 227.
vs. 62 beroocten santen: eig. door het vele bewierooken aangeslagen en onfrisch geworden heiligenbeelden; vgl. ABN. LII, e, 4 volg.: ‘Hier om acht ic u als de beroockte santen, Die men set besijden aen de canten, Achter den altaer’; zie ook XXXVIII, d, 13.
vs. 63-64 met netelen enz.: groene takken en brandnetels zijn de attributen van de Pinksterbruid (Schrijnen, Volksk. I, 194; 197; V. D. Ven, Neerl. Volkslev. 221); hier blijkbaar teekenen van oneerbaarheid.
vs. 65 vaganten: deze plaats is merkwaardig zoowel om haar ouderdom, als om de bet. die het woord hier heeft. Het Mnl. Wdb. vermeldt het niet, het komt dus in het Mnl. blijkbaar niet voor. In het Duitsch is de oudste bewijsplaats van 1556 (Dt. Wtb.; Weigand-Hirt) en beteekent het: zwervend persoon in het algemeen; pas sedert de 17de e. ‘fahrender schüler’. Hier is de bet. Blijkbaar: zwervende lichte vrouw, een van de ‘gilde’.
vs. 66 versloonst: verlept.
|
[houtsnede] |
* 68/69. S.: Ghebroken potkens syn nu v dyamenten.
70. wanhoopti - sonden, S.: storfdi dus ghy soudt. 71. Den vogel, S.: Die papegaij; troeyken: die roy. 72. hem ontspl., S.: haer ghespleten. 73. ontuliet, S.: ontsiet. 74. ontbr. bij S. vs. 68 trawanten: landloopen, bedelen.
vs. 71 De zin is wsch.: de vreugde is voorbij, nu komt de straf. Den vogel is af (zie ook de var.): vgl. voor de beeldspraak Spieg. d. Minn. vs. 794 vg.: Kath. Mint hy mijn oneere? ...Vree. Hy soude gaerne u papegaeyken of schieten’. - troeyken is te voren: wellicht is de geeselroede bedoeld.
|