|
*
|
* 4. belenden, HA.: voleynden.
|
[LXXXIV]
[f. 119 v°] Maect v bedde so ghi slapen wilt
REFREYN
- NAer dat die hoge godlijcke cracht
- Bi haerder ghebenedider macht
- Ons heeft ghegeuen dach ende nacht
- Daer alle tijden in belenden, vs. 4
- 5
- So eest nv van node dat si ghewacht
- Van elcker kerstelijcker dracht
- Den dach ende nacht ende so gheacht
- Dat wel besteedt si svaders senden.
- Inden dach mogen wi ons wenden
- 10
- Tot allen labuere,
- Maer snachts als ons doogen blenden vs. 11
- Moet rusten natuere.
- Ghi die dan rustens begeert ter kuere,
- Ic rade v, ende weest daer inne ghestilt:
- 15
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
|
vs. 4 belenden: eigenlijk te land komen; hier: opgann? Vgl. de variant.
|
[p. 158]
-
- Want lacen, so ick beuroeden can
- Die lange nacht die coemt ons aen,
- . . . . . . . . . . . . . .
- Elck reede sijn bedde om slapen.
- Ende die te reden nye en began
- 20
- Beghinne doch nv, tsi wijf of man,
- [f. 120 r°] Want vraye mare ick corts ghewan vs. 21
- Den nacht coemt ons betrapen.
- Och heeren, vrouwen en knapen,
- Maect uwen leghere;
- 25
- Den nacht die vangt als wolf die schapen,
- Tis sulck een pleghere,
- Al is den dach een blijde beweghere
- Den nacht sal comen onghestilt. vs. 28
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 30
- Mi wondert hoe slaep hem rusten doet
- Die onghemackelic liggen moet,
- Die ooc in siecten pijnt en wroet,
- Die met verdriet is behangen,
- Die in eenen bosch verliest den voet,
- 35
- Die in storme lijdt ebbe en vloet,
- Die onder den rouers is behoet,
- Die vanden lijue is gheuangen,
- Die altoos knaginge moet ontfangen
- Sijnder conscientien,
- 40
- Die snachts naer der slapers gangen
- Doen penitencie;
- Haren slaep en heeft gheen excellentie
- Want elck ducht te sin ghekilt; vs. 43
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 45
- [f. 120 v°] Ay lacen om een wel verstaen,
- Wie ist hi en is met siecten beuaen
- Bi sonden groot die ouerslaen; vs. 47
- Mer leyder men mach vermonden niet. vs. 48
|
vs. 21 vraye: ware, echte; vgl. vs. 93, en CI, 49.
vs. 28 onghestilt: aldus fragm. 1548; v. D. had onghetilic, wat niet in het rijm past.
vs. 43 ghekilt: vermoord (Ndl Wdb. VII, 2931; niet in Mnl. Wdb.).
vs. 47 ouerslaen: (hem) overdekken.
vs. 48 mach: less wsch. macht. - vermonden: bekend maken.
|
[p. 159]
-
- *
- Wie licht ghemackelijc naer uwen waen,
- 50
- Wie heuet verdriet al wech ghedaen,
- Wie is der dolender werelt ontgaen,
- Wie eest die storms tempeest ontsiet, vs. 52
- Wie eest hi en is van rouers bespiet
- Oft vanden lijue, vs. 54
- 55
- Wie eest die conscientie biet
- Dat haer beclijue vs. 55/56
- Ruste daer ick nv meest af scriue;
- Dus seg ic, hoe ghijt driakelt oft pilt: vs. 58
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 60
- Tsviants bedriech, swerelt listichede,
- Tvleesch aentreck die hebben ons mede vs. 61
- Bestreden met groter muegenthede
- In dese gheleuerde bedroefde zee. vs. 63
- Dus mensche merct, ick doets di bede,
- 65
- In wien dat god oyt leuen dede
- Die sterft; hier en is gheen seker stede.
- [f. 121 r°] Ick sach hem eerst, wi en hebbens niet mee, vs. 67
- Du worts van hoofden totten tee
- Den wormen spijse,
- 70
- Vuylder dan vuyl, weeder dan wee
- Wert dijn diuise. vs. 71
- Den dach ontgaet dies ick afgrijse, vs. 72
- Den nacht die comt, dus eert v schilt vs. 73
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 75
- Tslapen der eewiger doot
- Int barnende solpher, int wallende loot,
- Int vlammende vuer roder dan root,
- Dat es tontsiene seere.
- O wach der iammerlijcker noot,
- 80
- Datter so luttel cleyn oft groot
|
* 67. HA.: Ick sach hem eens wijlen/hebben niet wee
vs. 52 Hier is wsch. en of niet weggevallen.
vs. 54 Na Oft is wsch. iets weggevallen.
vs. 55/56 die conscientie biet dat: die aan zijn geweten datgene toekent waardoor -. Fragm. 1548 heeft: consent.
vs. 58 hoe ghijt driakelt off pilt: met welke driakel (tegengif) of pillen gij het ook behandelen wilt, wat gij er ook aan doen wilt.
vs. 61 aentreck: fragm. 1548: treck.
vs. 63 gheleuerde zee: leverzee (zie Mnl. Wdb. IV, 446 vg.).
vs. 67 Blijkbaar corrupt; de var. geeft ook geen zin.
vs. 72 ontgaet: gaat ten einde.
vs. 73 eert v schilt: eer het tot uw nadeel uitkomt.
|
[p. 160]
-
- *
- Ontsiende sijn den wederstoot;
- Ick claechs den hoochsten heere.
- Tes wonder dat hem yemant emmermeere
- Te slapene plucht,
- 85
- Anders dan hi telcken keere
- Te steruen ducht.
- wildi dan rusten onghesucht,
- Verschudt v stroo eer dattet dilt, vs. 88
- [f. 121 v°] Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 90
- Tbedstroo dijnder koetsen stade,
- Verouderde quaetheyt vol van quade,
- Werpt wt gheringe met wisen rade
- Ende lechter vray berouwe voren.
- Roept aen den ghecruysten god ghenade,
- 95
- Doet wt den boeck dijnder herten trade vs. 95
- Die letteren der doot, eert die verspade. vs. 96
- Den nacht begeert ruste, dats verloren, vs. 97
- So sal beiach van duechden vercoren
- Ghewoente werden
- 100
- Ende ghi wert weder gheboren.
- Om een volherden
- In duechden god laet v stadelic terden; vs. 102
- Ick raedt v om dat ick eerst onthilt:
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 105
- Ende bouen al dit bedde ghepresen
- Moet suuer v conscientie wesen:
- Al ware een sieck, hi worde ghenesen,
- Om slapen en es gheen beter aert.
- Minne tot gode voor al gheresen
- 110
- Sal tkussen wesen bouen desen;
- [f. 122 r°] Om rusten, studeren, bidden, lesen,
- Dese riecken al waert een rosegaert;
|
vs. 88 dilt: deelt, uiteenwijkt. Vgl. De Roovere 80: ‘V sal ghebueren eere ende duecht || Daar andere / door haer bedtstroo druypen’.
vs. 95 boeck dijnder herten trade: het boek waarin de weg van uw hart opgeteekend staat.
vs. 96 eert die (lees: di) verspade: eer het te laat voor u is.
vs. 97 dats verloren: daar is niets aan te doen.
|
[p. 161]
-
- *
- Caritate ten euen mensche waert
- Sal tdecsel sijn.
- 115
- Die hem aldus te slapene paert
- Heeft ruste fijn,
- Wie anders werct wint deewige pijn,
- Want ten baet gehaspt, geroct, gespilt: vs. 118
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 120
- Spreect metten propheet in v gedachte:
- Ick sal beweenen bi dage bi nachte
- Mijn bedde, en makent van tranen sachte
- Met ootmoediger vresen sonder gronden; vs. 123
- Dat es, ick sal met volder machte
- 125
- Int bedde mijnder conscientien crachte
- Elcke sondelijcke iachte vs. 126
- Of dwaen met tranen tallen stonden,
- So werdi in tgeslachte vonden
- Van Israhel.
- 130
- Ontrent dijn bedde soet heeft ontbonden
- Salomon wel
- Twelc sijn gods engelen als wachters snel, vs. 132
- Die hoeden v snachts vant helsche wilt.
- [f. 122 v°] Maect v bedde so ghi slapen wilt.
-
- 135
- Al wisti den cours der planeten,
- Al condi der sterren ommeloop meten,
- Al kende ghi alder natueren secreten,
- Al hadde ghi alle der cruden cracht begort, vs. 138
- Al verstondi tsecreet van allen propheten,
- 140
- Ia hemelsche ende eertsche conste beseten,
- Nochtans so eest al niet om weten
- Leefdi anders dan so ghi steruen dort.
- Een glas is broosch; veel lichter stort
- Die mensche voorwaer;
- 145
- Experientie v onlancx kenlic wort, vs. 145
|
* 135. wistic, HA.: wist ghy. 136. condic, HA.: soudy.
vs. 118 het geeft niet hoe gij het haspelt, rokkent en op de spil windt, hoe gij het aanlegt.
vs. 123 gronden: znw. of WW.? Beide zijn mogelijk.
vs. 132 Twelc: corrupt (twelf?) of overbodig.
vs. 138 hadde ... begort: beschikte over, kende.
vs. 145 onlancx: binnenkort, eerlang.
|
[p. 162]
-
- Ia openbaer
- Te meniger stont tsi hier tsi daer.
- Al seg ict ruyt als een hanebilt: vs. 148
- Maect v bedde so ghi slapen wilt.
|
vs. 148 hanebilt: aambeeld (zie voor den vorm nog Stoett, Drie Kl. 114, vs. 392 A.) De uitdr. ruyt als een hanebilt is in de Wdbb. niet vermeld; de bet. moet ongeveer zijn: zoo onbehouwen, zoo plomp als een aambeeld.
|
|
|