[LXXXV]
Twi soectmen wijsheyt daer gheen en sy
REFREYN
- VVijsheyt is wortel, keest ende fondacie
- Daer alle duechdelike wercken bi groeyen;
- Wijsheyt is een instortende gracie
- [f. 123 r°] Die wt den heyligen gheest moet vloeyen,
- 5
- Wijsheyt doet trijs der weluaart bloeyen
- Daer tgemeen profijt is in ghelegen,
- Wijsheyt can alle quaetheyt bespoeyen, vs. 7
- Alle quade malicie blijft verslegen,
- Bi wijsheyt wort menigen raet ghecregen,
- 10
- Mer elc doolt int soecken dat seg ick di:
- Malicie wiltmen voor wijsheyt wegen
- Oft wijsheyt hier is verdonckert bi,
- Twi soectmen wijsheyt daer gheen en si.
-
- Ten is geen wijsheyt quaet exempel wisen,
- 15
- Ten is geen wijsheyt de werelt quellen,
- Ten is geen wijsheyt onduecht te prijsen,
- Ten is geen wijsheyt discoort op stellen,
- Ten is geen wijsheyt dnauste te vertellen,
- Ten is geen wijsheyt droncken te drincken,
- 20
- Ten is geen wijsheyt elcx gebreck te mellen,
- Ten is geen wijsheyt recht te vermincken,
- Mer tis grote dwaesheit, woument bedincken.
- Bi desen roept menich lacen, o wy,
- Het doet der werelt weluaert versincken,
- 25
- Dus versuchtic als een die seyt ay mi:
- [f. 123 v°] Twi soectmen wijsheyt daer geen en si.
|
vs. 7 bespoeyen: lees wellicht: besnoeyen.
|
[p. 163]
-
- *
- Ten sijn al geen clercken die priesters schinen,
- Ten sijn al geen wise die wijs geacht sijn,
- Ten sijn al geen meesters vol doctrinen
- 30
- Die als wise tot groten state bracht sijn,
- Mer tsijn wise de tot duechden bedacht sijn.
- Dus gaet om wijsheyt voor die ter scholen vs. 32
- Oft claer v wijsheyt sal miswracht sijn,
- Ghi sult als arme schaepkens dolen.
- 35
- Die wijsheyt is ons van gode beuolen
- Als een duechdelijcke inspiracie vry;
- Die menige baertse als dooue colen
- Ende seyt tot den anderen doetet ghi.
- Twi soectmen wijsheyt daer geen en si.
-
-
- Prince
- 40
- Wat soecti niet aen mi ter audiencie, vs. 40
- Die rudelic werct nader consten crij; vs. 41
- Als ruyde slae ick na die scientie,
- Twi soectmen wijsheyt daer geen en sij.
[rand]
[f. 124 r°] [houtsnede]
|
* 31. de, HA.: die. 32. ter ontbr. bij HA. 40. niet aen mi, HA.: met my aen. 41. werct crij, HA.: werckende aen der consten is.
vs. 40 niet is wsch. corrupt; lees: hier?
vs. 41 crij: eig. leus; hier: voorschrift, regel; vgl. Hand. d. Amour. L 1 r°: ‘Druck is den cry’.
|