[LXXXIX]
[f. 127 v°] Dit duecht schijnt ende sonde voor gode es
REFREYN
- SUlc schijnt hi pijnt in duechden groot,
- Het werck schijnt sterck na deuocien schijn,
- Mer achter groot lachter doen si bloot,
- Si liegen, bedriegen vrienden ter noot.
- 5
- Sulck wonde moet sonde voor gode sijn vs. 5
- Die schoon spreken ende wreken met fenijn,
- Seg ic cloec; mi en roeck wiet siet of hoort.
- Sijt dies vroet claer hi moet ten lesten fijn
- Sijn voor glorien in purgatorien pijn
- 10
- Die schoon togen voor oogen en achter moort.
- Sulcken duecht schent vruecht suyt en noort
- Noch meer wanneer de vrient in node es;
- Hier bi ick vri mach seggen ongestoort:
- Dit duecht schijnt ende sonde voor gode es.
-
- 15
- Wie caritate ter strate gheeft om prijs,
- Ende dat geseyt plat om der werelt eeren,
- Int wesen gepresen gheheten ooc wijs,
- Schijnen werdich, mer houerdich is hair auijs;
- Tschijnt een voir al als dat hi sal ioden bekeren,
- 20
- Mer tmeenen es eenen te verseeren.
- [f. 128 r°] Sulcke ionsten sijn consten harde quaet,
- Die gaen en staen om gods lof vermeren
- ter kerken, haer werken schinen duechts begeren,
- Mer claer daer naer si sayen feninich saet,
- 25
- Sulc begin cranc gewin namaels ontfaet,
- Certein ic meyn dat buten gods gebode es
|
vs. 5 wonde: plaag, kwaad.
|
[p. 168]
-
- Die flatteren ende vseren valschen raet,
- Dit duecht schijnt ende sonde voor gode es.
-
- Noch voort, so hoort doch mijn verclaren,
- 30
- Tgaen claerlic noch iaerlic veel sermoenen vs. 30
- Die trecken en lecken meest al doutaren
- Die nouwe met rouwe te biechte en waren
- In iaren twee oft mee om duecht te doene;
- Int schijn si sijn vol van orisoene,
- 35
- Tallen hoecken si soecken de heylige stede,
- Mer voorwaer tis claer werc van guwelone, vs. 36
- Haer saken sijn spraken al na noene, vs. 37
- Si sotten en spotten met heylichede,
- Si lopen met hopen tontfangen mede
- 40
- Gods lichame eersame dat int brode es;
- Na mijn beuroen si doen so Iudas dede:
- Dit duecht schijnt ende sonde voor gode es.
-
-
- [f. 128 v°] Prince
- Prince weert, begeert altoos duecht,
- Die viant fel rebel suldi verdriuen.
- 45
- Mijn dicht valt slicht mer tis om vruecht,
- Ter eeren van v ick nv hier bin ghevuecht;
- Conste stranck mi dwanck, ic moste scriuen,
- Mer veel te ruyt es tbesluyt om becliuen
- Want mijn sin, tis niet min, swaer bouen lode es. vs. 49
- 50
- Hier manic dat wanic sonder ontbliuen,
- Twelc duecht schijnt ende sonde voor gode es.
|
vs. 30 sermoenen: sermoenen houden.
vs. 36 guwelone: verrader; een verbastering van Ganelon, de verrader uit het Roelantslied (Guweloen in het volksboek).
vs. 37 spraken al na noene: blijkbaar: beuzelarijen, waardelooze gezegden; vgl. de uitdr. het gaet al over noene, in Mnl. Wdb. IV, 2485. Misschien aldus te verklaren, dat aangelegenheden (rechtszaken) die na den noen ter sprake kwamen van gering belang waren of niet tot een behoorlijk einde werden gebracht.
vs. 49 swaer bouen lode: zwaarder dan lood.
|