*  

 *  8. vercochten, HA.: becochten.
11. Amon, HA.: Aman; dromen: vromen.
19. Iud. Machab., HA.: Salomon den Coninc.
20. Daliane so saen, HA.: veel vremde vrouwen.

[XCI]

Tis wonder wat verdoolde herten lijen

REFREYN

 DEn loop der werelt is een abuys,
 Deen singt, dander lacht, de derde weent;
 Waermen gode aen bidt in kerck oft huys
 Hi eest doch diet ons al verleent.
5
 Sigismonde en hadde niet ghemeent  vs. 5  
 [f. 129 v°] Dat haer vader soude in haer camer comen
 Die Gwiscardus vant in liefden versteent,  vs. 7  
 Twelc si bey vercochten thuerder onvromen;
 Die fransche Congius wert genomen  vs. 9  
10
 Die de soudaen Saladijn waende vast hebben;
 Amon ghinc hem tot drincken dromen  vs. 11  
 Want verwaentheit dede hem eenen bast hebben;  vs. 12  
 Absolon most eenen swaren last hebben
 Duer sijnen broder en wilde hi niet strijen
15
 Die de vianden onnaerdelic getast hebben;  vs. 13-15    vs. 15  
 Tis wonder wat verdoolde herten lijen.
  
     Sampson die stercste diemen oyt wiste
 Dalida dede hem sijn oogen verliesen;
 Iudas Machabeus verginck als den miste
20
 Om dat hi Daliane so saen ghinc kiesen;  vs. 20  
 Iulius Cesar ginc alte sottelic niesen  vs. 21  
 vs. 5  Sigismonde: vgl. XXIV, 50.
 vs. 7  versteent, corrupt; lees vereent?
 vs. 9  Congius: lees wellicht Coning? Sultan Saladin nam in 1187 Guide de Lusignan, koning van Jeruzalem, gevangen.
 vs. 11  Amon: Haman; het vers is verder corrupt.
 vs. 12  dede hem eenen bast hebeen: maakte dat hij opgehangen werd; Esther hfdst. 7.
 vs. 13-15  zijn klaarbl. Corrupt; Absalom streed tegen David, zijn vader."
 vs. 15  onnaerdelic: boosaardig; vgl. XCIV, 7.
 vs. 20  Daliane: in de boeken der Macchabeeën komt deze naam niet voor.
 vs. 21  ginc alte sottelic niesen: blijkbaar: kwam er bekaaid af. De Wdbb. vermelden deze zegsw. niet.


[p. 170]

 
  *  
 Om dat hi den Senatoren gheloofde;
 Daer bleuer veel verslegen, duersneden als biesen
 Voor den pas te Noranthoen Membriant cloofde
25
 Dies elc Sarasijn wten velde scoofde  vs. 23-25    vs. 25  
 Want tfeyt des camps also gheboot;
 Mer weet datmen daer menich verdoofde
 [f. 130 r°] Want menich vroom ter wapen dair door vloot.
 O Venus werck, onmanierlike noot
30
 Most Troylus dogen in voorleden tijen
 Om Breseyda, hi besuerder omme de doot;
 Tis wonder wat verdoolde herten lijen.
  
     Paris die was verdoolt wel seere
 Om dat hi die schone Helena ontscaecte,
35
 Troyen bleuer omme in groter oneere,
 Hector de doot van Achilles ooc smaecte;
 Mirro die schone wel gheraecte
 Wert in een veynstre deerlijc doorschoten
 Daer Iason so langen tijt om waecte  vs. 37-39  
40
 Diesmen Medea sach aen tstaecxken cloten;  vs. 40  
 Eurealus die sachmen een meyken poten
 Lucretiam duer haer dienstknechts bedrijf;  vs. 41-42  
 Roelant die opperste vanden ghenoten
 Duer sijn ouermoet so liet hi deerlic tlijf;
45
 Aristoteles liet hem als een katijf
 Van sijnen lieue als een peert berijen,
 Dus segge ick noch met woorden stijf:
 Tis wonder wat verdoolde herten lijen.
  
 
 Prince
     [f. 130 v°] Soudicse nomen alle te samen,
50
 Ic soude moeten meer papiers bedijen  vs. 50  
 Die duer verdooltheyt comen aen de bramen,  vs. 51  
 *  41. meyken, HA.: meysken.
 vs. 23-25  Waar dit op slaat heb ik niet kunnen ontdekken; Mone meent blijkbaar (Uebers. 297) dat op een Karelroman gezinspeeld wordt, maar in de overgeleverde teksten komen deze namen niet voor. De passage is klaarbl. corrupt.
 vs. 25  wten velde scoofde: maakte dat hij weg kwam? (zie Ndl. Wdb. XIV, 877).
 vs. 37-39  Mirro: persoon uit het verhaal van Jason, dochter van den ‘coninck van Olophernen’; zie nog ABN. LXVII, b.
 vs. 40  aen tstaecxken cloten: beeld ontleend aan het balspel; wsch. is bedoeld: den bal, in plaats van onder den beugel of boog door, daar tegenaan werpen, dus: missen.
 vs. 41-42  Euryalus verkreeg een samenkomst met Lucretia door bemiddeling van haar major domus. - een meyken poten: wsch. als erotische beeldspraak bedoeld; dit exempel past dan echter niet bij de overigen.
 vs. 50  bedijen: lees wsch. betijen, met schrift overdekken, volschrijven (Mnl. Wdb. I, 1159).
 vs. 51  aen de bramen: in ellende (de braam is een doornige plant).


[p. 171]

 
 Mer ic segge noch twoort sonder bescamen:
 Tis wonder wat verdoolde herten lijen.

[houtsnede]