|
*
|
* Stokregel, buten: bij S. in alle strophen bouen. 1. onder S.: in. 4. geest. - datse, S.: gheestelicheit leefde als sij. 5. ghierich, S.: ghiericheit; ter: tot; meerden: keerden. 6. was, S.: wast. 10. geestelike, S.: geestelicheit. 12. doen ontbr. bij S. 17. Sijn woort, S.: Hy. 18. S.: Al wast ouer hondert mijlen twas astout. 19. vol van, S.: mit. 21. Door den, S.: doe die; rechtuerdich, S.: was.
|
[XCII]
Maer tgaet nu verre buten screuen
REFREYN
- [f. 131 r°] DOe onder den coopman ia ende neen verkeerde
- En dedele den lantman met payse eerde
- Ende den lantman was der practiken onuroet vs. 3
- Ende de geestelike beleefden datse leerden,
- 5
- Niet ghierich, mer hem ter suuerheyt meerden,
- Doen was een gulden werelt ende goet.
- Den coopman had doen betrouwen en moet,
- Die eedele tsijnen dage renten en pacht,
- De lantman was weeldich sonder tegenspoet,
- 10
- Die geestelike hoge gheeert en gheacht,
- Al dat goet was regneerde doen inder macht
- Dies door elcx goet doen tgoet quam toegedreuen,
- Maer tgaet nv verre buten screuen.
-
- Biden coopman plach tsine siluer en gout,
- 15
- Sijn woort was noch so cloeck ende stout
- Dan nv sijn seghel es oft sijn signet, vs. 16
- Sijn woort plach tsine so wel betrout
- Als ouer .xl. mijlen was aenschout,
- Men creecher tonnen vol van goude met.
- 20
- Al de werelt plach tsijn vol weelden geset
- Door den coopman rechtuerdich sonder bedriegen;
|
vs. 3 der practiken onuroet: niet arglistig.
|
[p. 172]
-
- *
- Hi haelde, hi brachte, elck worde vet,
- [f. 131 v°] Hi dede de mare door al tlant doorvliegen, vs. 23
- Hi en wiste van lappen, borgen noch liegen, vs. 24
- 25
- Noch lueren noch sueren mer vrolic leuen;
- Mer tgaet nv verre buten screuen.
-
- Deedelen die plagen te triumpheerne
- Ende minnelic alle vruecht tvseerne
- Om elcken te maken verhuecht en blije,
- 30
- Den arbeyder die pleech te laboreerne
- Om hem ghetrouwelic te sustineerne,
- Inden lantman en was doen geen houerdije;
- Dambachts man dreef solaes tallen tije
- Met rethorijcken yet vreemts te ramene,
- 35
- Dies hem elck verblijde aen elcken sije
- Eerlic, niemant en pleechs hem te scamene,
- Men plachs als sotheyt niet te blamene
- Want elck eerdet door de const verheuen,
- Mer tgaet nv verre buten screuen. vs. 33-39
-
- 40
- Der geesteliker werck was lesen en soeken
- Al den dach studerende in haer boecken
- Om den slechten minlic tonderwisene;
- Minne was al haer iagen haer roeken, vs. 43
- Waer si discoort wisten in eenighe hoecken
- 45
- [f. 132 r°] Dat pijnden si neerstelic te misprisene;
- Op haer tienden plagen si hem te rijsene vs. 46
- Seer vrolic en blije mit ioncwijfs en knapen,
- Si en plegen haer kueken ooc niet te spisene
|
* 22. worde, S.: wort doe. 23. de mare, S.: weelde; door ontbr. 24. lappen - noch, S.: lortsen of van. 25. Noch (2 ×), S.: van (2 ×). 27. S. Deedele die pleech enz. 30. arbeyder die, S.: aerbeijt. 31. S.: Auont en merghen sonder cesseren. 32. doen ontbr. bij S. 35. Dies, S.: Die; elcken: alle. 36. ontbr. bij S. Na 37 bij S.: Elc leefden doe nae tbetamene. 38. eerdet ontbr. bij S. 43. haer (2), S.: ende. 45. pijnden, S.: pleghen. 46. hem ontbr. bij S.
vs. 23 Aardige bewijsplaats dat de kooplieden in de M.E. ook dragers van nieuwstijdingen waren.
vs. 33-39 geven belangrijke aanwijzingen voor de positie en de ontwikkeling van de rederijkerij: in de eerste plaats wordt zij uitdrukkelijk vermeld als door den ‘ambachtsman’ beoefend; in de tweede plaats blijkt dat zij reeds in het eerste kwart der 16de e. vaak als ‘sotheyt’ bespot werd.
vs. 46 hem te rijsene: blijkbaar: (fatsoenlijk) leven van -.
|
[p. 173]
-
- *
- Met veel prouanden oft met comenscappen;
- 50
- Ic en meene ooc niet datser nv in rapen
- Solaes of datter arch in es beseuen,
- Mer tgaet nv verre buten screuen.
-
-
- Prince
- Prince, hoe wi mercken in die drie staten
- Es nv defect groot bouen maten
- 55
- En hoe ouder hoe arger, tblijct an elcx leuen,
- Want tgoet, weelde en vruecht met caritaten
- Wert lanc so minder; dus hoe wijt vaten
- Het gaet nv verre buten screuen.
|
* 49. prouanden, S.: prouens. 53. hoe wi, S.: Wou wijt. 54. defect, S.: ghebreck; bouen: sonder. 55. En ontbr. bij S.; an: in.
|
|
|