terug  begin  verderprepost
[p. 11]

De overstroming

Wij woonden in een kelder aan de Utrechtsedwarsstraat. Het was nacht. Hein en ik lagen met twee van de andere kinderen op onze strozak op de grond. Wij waren op onze buik gaan liggen, ons gezicht in het kussen gedrukt.

‘Ik zie cirkels,’ zei Hein, ‘ze gaan heen en weer, eerst worden ze groot en dan weer kleiner; ze zijn geel, groen en paars; het lijkt wel of er een lamp achter brandt, zo licht zijn ze...’

‘De mijne zijn rood, blauw en oranje,’ zei ik. ‘Ze worden almaar groter, zo groot als de kamer, en ze draaien heel vlug in de rondte... o, nu veranderen ze, er zijn er nu heel veel, klein en in allerhand kleuren, en dan zijn er nog een heleboel piepkleine lichtjes die met ze meedraaien. Mooi is dat, joh, mooi...! en wat zie jij nu?’

Hein antwoordde niet meer, hij was in slaap gevallen.

Ik hield mijn gezicht nog even in het kussen, maar ik kreeg het kriebelig door de warmte van de lichamen en het bed, en door de vlooien. Ik ging overeind zitten. Het was donker in ons hol; allen door het venstertje van de kachel en het deksel ervan dat iets omhoogstond, kwam wat licht naar buiten. De grote schoenen van vader, die midden op tafel stonden, leken in het donker heel verschrikkelijk. Mijn broertjes en zusjes waren allemaal in slaap; Hein had ons hondje in zijn armen en de kat had zich tegen Dirk aangenesteld. De deuren van de bedstee waar mijn ouders met de baby in sliepen stonden open; het schijnsel van de kachel gleed over het gezicht van moeder dat in de lichte rand van haar nachtmuts zo mager was, zó mager... ik werd er bang van, maar het luide geronk van vader stelde me weer gerust.

[p. 12]

Ik ging liggen. Maar rust kon ik niet vinden, ik woelde en huiverde en het leek wel of de strozak nat werd.

‘Moeder! moeder!’

‘Ja, wat is er?’

‘Ik geloof dat Dirk geplast heeft, het bed is kletsnat, 't brandt aan mijn vel.’

‘Wat kan ík daaraan doen? Ga slapen en laat me met rust.’

Ik ging weer liggen. Ik probeerde opnieuw de lichte cirkels voor mijn ogen te krijgen, die me afleidden in de nachten dat ik koorts had of niet slapen kon, maar het lukte niet, ik zakte af naar een toestand van onrust en angst. Mijn ogen durfde ik niet opendoen, ik hoorde onder de meubels geritsel en geruis, en verbijsterd wachtte ik af.

Opeens sprong toen de kat op tafel. Het dier en de schoenen leken mij zo abnormaal groot, van mijn plaats af, dat ze wel drie kwaadaardige monsters schenen...

En intussen werd de strozak maar natter. In pure angst begon ik om mij heen te slaan en mijn hand, die het vlondertje in de kelder raakte, maakte water aan het klotsen.

‘Moeder! moeder, er staat water in de kelder!’

‘Wat - water?’

‘Ja, zég ik toch, we zitten in het water!’

Alle kinderen begonnen te schreeuwen; het water dat totnogtoe alleen maar binnengesiepeld was, leek nu volop binnen te stromen. Vader sprong uit bed en vloekte vreselijk omdat hij met zijn voeten in het nat stond. Hij tilde ons allemaal in de bedstee waar we zo goed als we konden een plaatsje zochten: Dirk aan de voeten van moeder en ik aan die van vader. Een van zijn voeten hield ik in mijn armen om me veiliger te voelen, en zo sliepen we in.

Ik werd wakker door het kabaal dat vader in de morgenvroegte maakte: gebogen staande om zijn hoofd niet te stoten tegen de balken van de zoldering, was hij bezig hout-

[p. 13]

blokken te plaatsen en daar planken overheen te leggen, zodat wij tenminste konden lópen door onze kelder, waar het water tot boven de plint was gestegen.

Toen we waren opgestaan, bleek de hele straat in opschudding te wezen, want door de overstroming stonden alle kelders blank en hoewel dat voor de bewoners niets nieuws meer was, krioelden ze overal rond om te zien hoe hoog het water stond en hoe men het van kelder tot kelder de baas wou worden. Moeder was te opgewonden om iets te ondernemen, ze stuurde ons niet naar school en maakte geen eten. Mina en ik volgden haar van de ene kelder naar de andere, maar zij stuurde ons al gauw naar huis terug om op de kleintjes te letten.

Wij ploeterden een tijdje in het water rond. Toen bond Hein een touwtje aan 'n stok, bevestigde er een haakje aan dat hij van 'n haarspeld had gemaakt en zittend op een stoel begon hij in het slikwater te vissen. Dirk schoof op z'n achterste over de loopplanken en haalde met zijn handen, die blauw zagen van de kou, een nest dode muisjes op, door het water vanonder de kast vandaan gespoeld. Hij vond ook nog een halfdode rat, en almaar op z'n billetjes langs de planken schuifelend toonde hij ons vol trots het dier dat nog ademde. Toen gleed Dirk het water in; ik kon hem niet tegenhouden, hij was te zwaar... Dus ging ik op zoek naar moeder die nog langs de kelders rondtrok om er kommetjes koffie te drinken, en die met tegenzin meeging om Dirk uit het water te sjorren.

Hein en hij begonnen te beven over hun hele lijf. Moeder stopte ze in bed, waar ze blauw van de opkomende koorts heen en weer rolden. Zelf nu ook koortsig, begon ik te huilen: moeder legde me bij de jongens, wierp wat kleren over ons heen en tegen elkaar aangedrukt lagen wij gedrieën te klappertanden. De koorts schokte door ons lijf en we rilden alsof er rijen mieren door onze aderen trokken. Zo wachtten

[p. 14]

wij op de hete koorts, die pas in de namiddag opkwam. Toen wisselde onze kleur eerst langzaam van blauw naar roze, en vervolgens naar vuurrood; wij gooiden het dek van ons af, sloegen onze armen om ons heen, duwden ons van elkaar af en spreidden de benen om wat koelte te krijgen, terwijl we hijgden van dorst. Moeder, die in haar ene hand een kaars hield om de donkere bedstee wat te verlichten, gaf ons met de andere wat water.

Tegen de avond zakte de koorts. We lagen er met z'n drieën als vodden bij, en moeder kon ons maar één sneetje zwartbrood geven om weer op krachten te komen. Sindsdien heeft de koorts jarenlang achtereen op geregelde tijden toegeslagen.

Ons hondje was verdwenen. We dachten dat hij ontkomen was. Een stank van verrotting vervulde onze kelder en werd van dag tot dag sterker; vader en moeder meenden dat we in een of andere hoek zeker nog dode ratten zouden vinden. Toen het water was weggetrokken gingen ze op zoek en ontdekten het halfvergane lijkje van ons hondje, dat onder de bedstee was verdronken.

prepostterug  begin  verder