‘Jij krijgt je eten straks wel, breng eerst je vader maar wat, en schiet op, het is laat.’
Met blote voeten in klompen, wild haar en vuur in de ogen rende ik de Haarlemmerdijk langs met het eten voor vader nu in de ene hand, dan in de andere. De knoop van de lap waar het pannetje in zat, was zo groot dat ik hem niet omvatten kon, zodat ik de doek naast de knoop vast moest houden. Ik had er om twaalf uur zullen zijn en het was al half een: moeder had veel te lang staan kletsen bij de aardappelboer.
Ik rende dus door de straffe zon die recht op mijn blote hoofd priemde - er was geen vlokje schaduw op de straat. Vader stond mij al op te wachten. Zodra hij me uit de verte zag aankomen holde hij op me toe, rukte het pannetje weg en gaf me een trap, terwijl hij me uitschold: ‘Smerige meid, nooit gewassen en altijd over tijd!’
Ik viel op een stoep, huilde tot mijn strot droog was en keerde toen door de zon terug. Ik was gek van de hitte, maar evengoed bleef ik in het midden van de straat lopen om geen hinder te hebben van de stank van riolen en rotte vis die uit de sloppen en keldertjes walmde.
Hè, stel je voor dat ik nu midden op de hei was en met nicht Kaatje tot aan de heupen door de beekjes kon lopen, of moerbeien kon zoeken in de duinen, of spiernaakt op het strand liggen en de golven tegen me aan laten botsen! Maar ja, je kon daar nóg zo op je gemak zijn met al die ruimte om je heen, moeder voelde niets voor een hutje op de hei; zij had de stad en de winkels nodig, en dus had ze net zo lang gezeurd tot we naar Amsterdam terug waren gegaan... Daar-
ginds had niemand op mij gescholden omdat ik vuil was; in de zee en de beekjes word je trouwens weer schoon, ook zonder zeep, terwijl je hier met een beetje water in een kommetje altijd goor blijft...
Ik stortte onze kelderwoning in - wat een opluchting! Je kon zeggen dat er weer wat orde in mijn hoofd kwam. Ik plofte op een stoel, de benen over de kant, mijn hoofd over de leuning, en zo uithangend en uitpuffend voelde ik mijn kalmte en behaaglijkheid weer terugkomen. God, wat zalig om uit de zon te zijn! Hier drong ze nooit door, het was donker en koel, gewoon verrukkelijk; het water siepelde langs de muren, de planken vloer was nat... en met wellust streek ik er mijn brandende voeten over. Als ik, zoals ik hier nu zat, kon eten en drinken...
‘Moeder, waar zijn mijn aardappels in azijn?’
‘Kind, je snapt wel dat ik de kachel niet kon laten branden om ze warm te houden.’
‘Maar ik heb ze liever koud, met lekker veel azijn!’
‘Gut, had ik dat geweten!’
‘Waar zijn ze? moeder!’
‘We hebben ze opgegeten, ik dacht dat je ze warm wou hebben. Maar hier heb je een sneetje brood.’
Scheldend at ik het op.
Moeder ging naar de kast en schonk iets in een kopje.
‘Hier, maar zeg het niet aan de anderen, anders is het op vóór ik het weet.’
Het was karnemelk. Nooit heb ik, wanneer dan ook, iets gedronken wat me zo heeft opgekikkerd. Ik nam zo kleine teugjes als maar kon, om er des te langer mee te doen. Daarna kroop ik in mijn liefste houding op de stoel en begon te dagdromen over een wereld waar overal schaduw en karnemelk was, maar dan volop, kannen vol... en ik liet mijn voeten op de vochtige vloer rusten en gleed met mijn handen langs de muur waar het water nooit uit wegtrok.