Ik was tien, Naatje vijf. Wij liepen op het Damrak te spijbelen en gingen er de lege stroopvaten langs, waar wij de restjes met onze vingers uitveegden. Plots viel het mij op dat veel vrouwen met kinderen, in hun goede kleren, de richting van de Dam uit gingen. ‘Naatje, vandaag is vast de Beurs open...’
Sinds lang bestond een gewoonte dat de Amsterdamse kinderen op bepaalde dagen in het jaar in de Beurs mochten spelen en trommelen, maar wij hadden dat nooit zelf meegemaakt.
Wij volgden de stroom en jawel, die hield stil bij een van de kleine zijdeuren van de Beurs. Toen de deur openging glipten wij met de anderen naar boven en belandden in een hele grote zaal. Bijna alle kinderen waren met hun moeder of met de meid en hadden speelgoed bij zich. In rijen van vier of vijf breed liepen zij achter elkaar over de galerijtjes die aan weerszij van de zaal lagen. Sommigen droegen molentjes van rood-wit-blauw stijf sitspapier op een stokje, met in het midden een oranje strik; anderen sloegen op blikken trommeltjes of hadden ratels in de hand, en droegen papieren steken. De meisjes liepen trots met houten poppen tegen zich aangedrukt en de jongetjes bliezen op toeters van blik.
Naatje en ik, blootshoofds, ongewassen, in lompen en volgekliederd met stroop, hadden niets. Wij volgden de rij gretig en probeerden met de kinderen te praten om hun rateltje te lenen, want wij wilden ook wel rrarrará maken. Ik vroeg een meisje even haar pop te mogen vasthouden omdat ik de mijne zogenaamd vergeten had, maar niemand wilde ons aan z'n speelgoed laten komen. Na een paar rondjes ver-
lieten we de rij; we zeiden niets meer en keken alleen maar hoe die jongens en meisjes langsgingen, stralend van plezier dat ze daar met hun mooie speeltjes mochten rondkuieren. Maar weggaan wilden we niet. Er waren ook moeders die hun kinderen boterhammen en koekjes gaven, anderen lieten ze uit popperige bekertjes melk drinken, die ze in een fles hadden meegenomen.
Naatje werd onhandelbaar en wilde niet meer voor- of achteruit; en ik, ik voelde me doodmoe en bedroefd... Uit schaamte nam ik Naatje hard bij de arm om weg te gaan, maar zij begon te huilen en te stampvoeten. Het lukte mij alleen haar mee te krijgen door haar een molentje te beloven voor de volgende week maandag, als er nog kermis was.
Op de Nieuwendijk bekeken wij het mooie speelgoed in de uitstalkasten, maar het zei ons niet veel: het waren spoorwegen van gelakt metaal, tollen zo groot als theepotten, poppen als kinderen van drie, met echt haar en ogen die nogal eng open en dicht gingen, en vergulde kinderserviesjes. Nee, daar zouden we toch nooit mee kunnen spelen, je zou daar ik weet niet hoeveel guldens voor moeten betalen, en vader verdiende er maar drie in de week...
Op de Haarlemmerdijk klommen wij het stoepje van 't speelgoedkeldertje af, en dáár bloeiden we pas op, bij de beschilderde houten poppetjes, doosjes kralen van allerlei kleur, geverfde kindertoeters, ratels en aardewerk serviesjes met groen glazuur.
‘Naatje, Naatje, moet je kijken!’
Naatje bleef stom en stokstijf staan en wees hardnekkig op een rateltje en een molentje van papier.
Er stond ook een doos vol in hout gesneden poppetjes, die maar twee cent kostten. Ik nam mij voor om maandag zo'n poppetje te hebben, hoe dan ook, want ik was vastbesloten om de laatste maandag van de kermis naar de Beurs te gaan, ik met een pop en Naatje met haar ratel. ‘Ik zal er een hele
lange jurk voor maken, dan zien ze niet dat het maar zo'n kleine is.’
Ik had een week de tijd. Als moeder mij boodschappen liet doen en er bij het wisselgeld een losse cent zat, drukte ik die achterover, of als ik er een op de tafel of de kast zag liggen, griste ik die weg. Ik verborg ze op een plankje aan de binnenkant van de grote houten schoorsteenmantel. Vier had ik er nodig, twee voor het molentje en twee voor de pop. Die voor de pop had ik al gauw bij elkaar. Ik kleedde haar in een sleepjurk, gemaakt van een vod, en zette haar een hoedje op van karton bespannen met tule, afkomstig van een muts van moeder, en opgesierd met een kippeveer waar ik wat hoekjes uit geknipt had - een Tudorkapje heette dat. Naatje zette ik papillotten in; mijn eigen natuurlijke krullen wies ik weg met water en draaide mijn haar daarna in allemaal vlechtjes om het ‘op z'n Engels’ te hebben.
's Maandags deden we of we gewoon naar school gingen: ik met mijn haardos over de rug waaierend en met m'n witte voorschoot dat ik 's zondags niet had vuil gemaakt, en Naatje met haar bruine haar in krullen. Maar zodra we de brug over waren, haalde ik mijn pop vanonder mijn rok tevoorschijn en stapten wij de speelgoedkelder in om het molentje te kopen. We waren klaar voor de Beurs!
O, de vreugde, de trots, de koude rillingen die door ons heengingen toen we de zaal binnenstapten, waar wij ditmaal net zo waren als de anderen: ik, die mijn pop met twee vingers en de duim vastklemde en haar sleep over mijn hand gedrapeerd had, en Naatje die haar molentje liet draaien. We werden niet langer met argwaan bekeken en de kinderen lieten ons hun speelgoed even vasthouden in ruil voor het onze. Er was zelfs een mevrouw die ons een half krentenbolletje gaf omdat wij met haar kleine jongetje speelden. We waren helemaal verrukt dat wij nu eens geen afkeer wekten, maar op voet van gelijkheid stonden en zelfs bewonderd
werden, want ze bewonderden ons haar, waar ik al mijn kunst aan ten koste had gelegd. Wij bleven tot de Beurs gesloten werd; toen gingen wij terug over de Nieuwendijk met het kleutertje tussen ons in, terwijl de moeder achter ons liep. Bij de Haarlemmerbrug gingen zij een andere kant op; ze zei dat we lieve kinderen waren.
Sinds die tijd zorgde ik ervoor dat er altijd een paar centen op mijn geheime plankje lagen, niet alleen voor speelgoed, maar ook voor het kaftpapier van mijn schoolboeken dat nogal eens vernieuwd moest worden. Moeder kon me niet altijd de cent geven, die een vel papier kostte, en als de kaft vies was trok de meester mij aan de oren en sloeg me met de liniaal op mijn vingers, die ik uitgestrekt vóór hem moest houden.