terug  begin  verderprepost
[p. 23]

Uit logeren

Ik was toen twaalf. De derdedaagse koorts had me ondanks de kinine verschrikkelijk ontsteld en de dokter verklaarde dat alleen verandering van lucht me kon redden. Mijn ouders beslisten dat ik een paar dagen zou doorbrengen in Haarlem, bij een tante, en ze meenden dat ik oud genoeg was om alleen te reizen. Wij kozen voor de reis een dag dat ik koortsvrij zou wezen: moeder wies mijn kleren, gaf een paar dubbeltjes mee en ik ging naar de trekschuit achter de Haarlemmerpoort.

Het schip werd getrokken door twee jagertjes. Hoewel de koeien al op het land waren en de schapen in de wei huppelden, was het nog heel koud. Ik klom de roef in en tuurde lange tijd met veel plezier door de raampjes waarachter het water op gezichtshoogte tegen de kiel sloeg.

In Haarlem werd ik afgehaald door mijn neef die een beetje stotterde en al meteen goed nieuws bracht: hij zou me diezelfde avond nog meenemen naar Hillegom, waar hij in de bloemenpluk werkte.

‘Jij ziet nooit bloemen, is 't wel? Nou, dan zul je nu je hart kunnen ophalen.’

‘O jawel, ik loop vaak naar de Hogedijk, waar het gras vol bloemen staat.’

‘Díe bloemen, dat is niets vergeleken met wat ik je zal laten zien.’

Tante ontving me heel vriendelijk. Wij deden ons maal met aardappelen en rijst, die in één pot waren gekookt en waar ze een bord groentenkliekjes doorheen had gedaan. Het was warm en lekker. Mijn tante had in de familie de naam dat ze ‘grosig’ was en dat ze koste wat kost goede

[p. 24]

zwier wilde maken. Zelf vond ik dat ze gewoonweg beter kookte dan de anderen: als zíj aardappels kookte smaakten die naar eierdooiers en als moeder het deed, naar zeep.

Tegen de avond kwam een hondekarretje met twee dieren, gemend door een boer, ons ophalen. Mijn neef zette me midden in de lege manden op de kar, stopte wat jutezakken om mij heen en we vertrokken.

Het weer was nu iets zachter. Het werd al vroeg donker en de weg leek me in de duisternis erg lang, maar nu en dan woeien er wolken vol van zulke heerlijke geuren over, dat ik mijn hoofd hoog boven de zakken uithield en met breedopen mond gulzig de lucht indronk, die mij een gevoel van rust en welbehagen gaf. Spoedig begon ik te zingen, psalmen en liedjes die ik van school kende.

‘Hee, hee, nichie, je bent klaar wakker, je bent niet meer ziek!’

‘Zing maar, meiske,’ zei de man, ‘zing maar door...’

En ik jubelde het uit van vrolijkheid.

Bij het dorp nam het karretje landweggetjes, het holde over brugjes, ging rechts en tweemaal links, en hield toen stil voor een klein huisje. Mijn neef hielp me bij het uitstappen en we gingen binnen. De kamer waar hij me binnenschoof was blauw geschilderd als Delfts aardewerk; op de vloer lagen gevlochten matjes en in het midden een groot geel zeildoek met oranje rand. Op de tafel, die voor het raam stond, was eten klaargezet; boterhammen met Edammer kaas en koffie. Een boerenvrouw met muiltjes aan haar voeten, een heel stel rokken om en op het hoofd een kap van witte tule, heette mij welkom.

‘Zo, is dat het zieke meiske... Nou, ze mag gezien worden, je zou niet zeggen dat ze de kwaaie koorts had.’

‘De geur heeft haar al opgeknapt, ze heeft onderweg gezongen als een nachtegaaltje.’

‘Kom maar, meiske, hier staat eten en drinken, en dan

[p. 25]

naar bed.’

Het was voor mij een hele belevenis, met zoveel vriendelijkheid behandeld te worden.

‘En waar wil je het kind laten slapen?’ vroeg de man.

‘Ze kan wel bij mij slapen,’ antwoordde mijn neef, ‘maak maar geen drukte, ik weet dat jullie geen bed over hebben.’

Mijn neef en ik klommen over een ladder naar zolder waar vers stro op de vloer lag, en nadat hij mij m'n schoenen en bovenkleren uit had laten doen, dekte hij me toe met de enige deken. Toen blies hij de kaars uit, deed z'n jas en schoenen uit en legde zich te slapen.

Nooit was ik zo gelukkig geweest als die dag. Door het dakraampje zag ik de maan en de sterren; de wonderlijke geur drong door de kieren de zolder binnen en ik voelde mij zo intens dankbaar dat ik een goede daad wilde doen: en ik, die anders nooit bad, ging op mijn knieën liggen en zei met dringende stem het Onzevader en het Weesgegroet. Nog éénmaal snoof ik de diepe geur in, die me bijna bedwelmde. Ik dacht eraan hoe Keesje en Klaasje in ons krot lagen te slapen, vlakbij het riool en naast de ton die als plee moest dienen... en ook hoe ik morgen weer de koorts zou hebben en niet naar de bloemen zou kunnen gaan... en toen begon ik te schreien. Mijn neef werd er wakker van en vroeg wat er mis was. Ik vertelde het hem.

‘O kindje,’ stotterde hij, ‘jij zult de bloemen zien, zo zeker als wát; ik zal je erheen dragen, met een deken om je lijf gewikkeld.’

Hij legde zijn armen om mij heen en wij sliepen in.

 

Toen ik de volgende morgen ontwaakte was mijn neef al weg. Er stond een waskom met water klaar, met een handdoek en een kam ernaast; ik wies mij zo zorgvuldig als ik maar kon en klom de ladder af. De boerin was alleen thuis. Ze gaf mij te ontbijten; daarna kwam mijn neef binnen voor

[p. 26]

'n tweede hap, die hij snel naarbinnen sloeg om mij mee te kunnen nemen. Direct buiten de deur straalden de bloemen mij al tegemoet, ik begon te rennen en riep: ‘Paardebloemen! allemaal paardebloemen!’

Mijn neef en de boer stikten van de lach. Toen ik vlak bij de bloemen was, zag ik dat het geen paardebloemen waren.

‘Het zijn narcissen, zusje.’

‘Maar wat veel, wat een boel!’ schreeuwde ik, ‘een heel veld vol, en nog een, en nog een...’ Sprakeloos draaide ik mij rond. Maar opeens hield ik stil, alsof ik duizelig geworden was.

‘En daar! en daar!’

Voor mij strekte zich een veld van blauwviolette bloemen uit, waarvan de geur opsteeg die mij de vorige dag haast bedwelmd had; daarnaast lag een ander reuzenvierkant met dezelfde bloemen maar nu in roze, en dan nog een veld in lila, en dan witte, purperen, vleeskleuren velden... De bewondering kreeg me zo te pakken dat ik zinneloos rondrende en pas stopte toen ik voor een veld bloedrode tulpen stond, haast zo ver als ik kon kijken, met daarnaast rood en geel gestreepte tulpen, ook witte met een bessenrood randje, en links en rechts, voor en achter, almaar velden vol tulpen, hyacinten en narcissen...

De boer, die schik had in mijn opwinding, was achter me aan gekomen. Snikkend wierp ik mij in zijn armen.

‘Ik wil geen koorts, anders kan ik de bloemen niet meer zien...’

‘Hou je maar stil, meiske, je krijgt geen koorts meer.’

Het was tien uur en de koorts was niet opgekomen.

Mijn neef en de boer gingen aan het werk, ze haalden de hyacintenvelden uit. Zij risten heleboel bloempjes van de trossen omdat die elkaar verstikten en wierpen ze op hopen. Mooi dat ze waren! Er lag een hele grote berg blauwe kelkjes op 't zwarte af, dan een stapel rode en lichtpaarse, en ber-

[p. 27]

gen en bergen andere... Moeder had verteld dat de mensen in de buurt van Luik, waar zij vandaan kwam, bloemkelkjes op de processieweg strooiden ter ere van de Lieve Vrouw. ‘Hadden ze 'n paar kruiwagens vol van deze afgeplukte bloemen, wat zouden ze dan een prachtige, geurige weg voor de moeder van God kunnen maken...’

Ik wilde mijn neef helpen, maar de geur van de bloemen was zo zwaar dat ik er helemaal bleek van werd.

‘Doe dat maar niet, zusje, profiteer jij d'r maar van.’

De koorts kwam niet op en toen we tussen de middag naar huis kwamen, zei de boerin wonder hoe goed ik er uitzag.

Het duurde vier heerlijke dagen. Op een morgen laadde de boer zijn hondekar vol manden met tulpen, hyacinten en narcissen voor de stadsmarkt. Hij zette mij op een paar zakken neer en wij gingen naar Haarlem. Bij het binnenrijden van de stad trok hij uit een van de manden een boeketje met tulpen die ik boven alle andere bewonderd had.

‘Hier, meiske, voor jou.’

Het waren drie reusachtige dubbele bloemen, paarsachtig en wit gemengeld: ze hadden me bijna verlegen gemaakt, zo statig vond ik ze - en ze heetten Overwinnaar. Daar deed hij nog drie ivoorwitte met roze-violette baantjes bij, die Bruidssluier heetten.

Mijn tante bracht me direct naar de trekschuit en nog vóór de middag kwam ik in Amsterdam aan. Bij het aan wal gaan had ik het gevoel dat ik een grote schat achterliet, die mij een ogenblik had toebehoord en die mij nu voor altijd afgenomen was. Die paarse, lila, roze en gouden velden waren mooier geweest dan het kasteel van Doornroosje of de koets van Assepoes - niet te vergelijken! In sprookjes kwam nooit iets van geuren voor, maar nu kon ik mij het geluk niet meer anders dan in geuren voorstellen. Sinds ik dat aroma aan mijn lichaam had gevoeld en het mij dag en

[p. 28]

nacht niet had verlaten, wat ik ook deed, wilde ik er geen afstand meer van doen; het leek mij onmogelijk nog ergens van te houden zonder die geuren erbij... Maar ik hield toch ook van Keesje en Klaasje? En als ik Naatje papillotten inzette zou ik hun kunnen vertellen over het wonderland waar ik vier dagen in had mogen leven... de Overwinnaar! de Overwinnaar...! En zou het loszittende tandje van Dirk er al uit zijn...? Bruidssluier... Naatje, kijk, dit is nu de Bruidssluier... Ik draag mijn boeket hoog voor me uit, dat ze het meteen zien... Morgen is het zondag, dan moet de huur worden betaald...

Om zo vlug mogelijk bij hen te zijn, begon ik op de Haarlemmerdijk al op een sukkeldrafje te lopen. Toen ik, met de bloemen voor mij uit gestoken, onze steeg binnenkwam, sneed de stank van het riool mij de adem af en de reuk van het tonnetje die mij op de drempel van de kamer tegemoet sloeg, deed me half stikken. De kleintjes krielden op mij toe, maar ik duwde ze weg en zei:

‘Moeder! die stank!’

Ik week uit naar de steeg en kwam als opgejaagd weer binnen.

‘Moeder! moeder! die stank...’

‘Je bent gek, 't is niet erger dan anders.’

De kleintjes hadden zich op mijn bloemen gestort en scheurden ze uiteen, krijsend en vechtend om er zoveel mogelijk van te bemachtigen.

Al gauw voelde ik kippevel opkomen. Het rillen, dat aan de koorts voorafging, begon opnieuw. Ik kroop in de bedstee en kronkelde er ineen met m'n kin tegen m'n knieën, terwijl mijn tanden klapperden van de koorts die mij weer in zijn macht had.

prepostterug  begin  verder