terug  begin  verderprepost
[p. 29]

Loopkind

Flesjes rondbrengen, flesjes met een stukje goudpapier over de kurk, en rode en blauwe en paarse doosjes, allemaal in een vrolijk mandje om niets te beschadigen, dat is echt werk voor mij. En als ik de medicijnen bij de klanten heb afgegeven, moet ik een beetje op het dochtertje van twee letten. 't Is een leuk kind, dat meisje; maar goed ook, want lelijke kinderen dat is niets voor mij.

Beleefd ben ik ook. Als ik heb aangebeld en er wordt niet opengedaan, blijf ik een hele tijd wachten voor ik 'n tweede maal bel. Als de meid dan aan de deur komt, zeg ik: ‘Vrijster, de complimenten van de apotheker, ik kom een flesje brengen’ - of een doosje natuurlijk. Ja, de complimenten doe ik er altijd bij, en ‘vrijster’ is ook goed: ik hoor het de slagers vaak tegen de meiden zeggen en dan lachen ze, dus dat is in orde.

Ik werk in een grote zaak. Weliswaar op de Zeedijk, maar vlak bij de Nieuwmarkt; de verdachte huizen zijn veel verderop. Er is een hulpapotheker die ik meneer moet noemen, hij is dus geen bediende zoals de meiden. Kun je nagaan: twee meiden en ik, het loopmeisje... En dan zijn er nog acht kinderen in huis, zes jongens en twee meisjes. De oudste jongen, van tweeëntwintig, is student, dus helemaal een meneer, en het jongste meisje is pas twee. De tweede zoon is op de militaire school, óók een meneer dus. Nog een andere leert voor apotheker.

Bet, de keukenmeid, heeft ons dat allemaal verteld terwijl moeder en ik op mevrouw wachtten, toen wij kwamen vragen of ik er mocht komen werken. Ze is een echte mevrouw, helemaal geen juffrouw of kortweg vrouw zoals dat mens

[p. 30]

van de kruidenier.

Ik moet er om acht uur 's morgens aan de slag. Ik krijg zestig cent in de week, tussen de middag eet ik er brood en om vier uur ben ik klaar. Niet gek om te beginnen! Maar goed, ik ben ook al twaalf...

Toen ik er voor 't eerst heenging, rilde ik van de puntjes van mijn haren tot mijn tenen toe - van de spanning natuurlijk. Ik moest al meteen 'n tamelijk grote fles naar de Kloveniersburgwal brengen, pal naast het Trippenhuis, dus heel dichtbij. Het was voor boven, zei de hulpapotheker. Ik belde dus aan de deur die mij de goede leek, en zei:

‘Vrijster, de medicijn voor juffrouw X.’

‘Voor boven moet je de andere deur hebben, dit is huis.’

En de vrijster sloeg de deur voor mijn neus dicht. Ik belde bij de andere ingang. Een dame trok de deur van boven af met een touw open en gilde woedend:

‘Nu heb je alwéér beneden gebeld, elke keer als iemand van de apotheker komt is het raak! Als dat nog éénmaal gebeurt ga ik naar een ander, zeg hem dat maar! Wat hebben de buren ermee nodig dat ik medicijnen krijg? Zet de fles maar op de trap, en denk erom dat ik niks meer van de apotheker nodig heb als hij geen mensen kan sturen die boven van beneden kunnen onderscheiden!’

Nou, als dat bij ons in de buurt was gebeurd, dan had die ouwe vetbult wat van me te horen gekregen: als je altijd medicijnen nodig hebt, komt dat doordat je zo rot bent als een mispel! - Maar ik antwoordde niet en zei ook geen woord tegen de apotheker: al waren de deuren niet te onderscheiden geweest, ik had toch maar de schuld gekregen. Ik was echt een beetje uit m'n hum.

Na terugkeer moest ik naar een slager in 'n steegje bij de Nieuwendijk, drie pond kalfsborst halen. Drie pond! Ze zouden wel begrijpen dat ik niet bij de eerste de beste diende. Bij die slager kwamen alleen armelui uit de omliggende

[p. 31]

stegen om er klieken lillerig vlees te halen, en ik maakte inderdaad precies de indruk die ik me had voorgesteld. Dat herhaalde zich iedere dag. Nu was het zo dat ik, het trotse loopkind, dat vlees enkel moest halen omdat Bet de keukenmeid zich schaamde om naar dat onaanzienlijke beenhouwerijtje te gaan, met haar gesteven rok van bedrukt katoen, haar hagelwitte schort en haar fijngeplisseerde kornetje. Maar goed, dat merkte ik pas later. Al het andere kocht zij zelf, want ze krabbediefde op alle boodschappen een paar centen; ze had me zelfs voorgesteld om een stuiver op de prijs van het vlees te leggen, die we dan samen zouden delen. Maar nadat ze mij goed in de ogen had gekeken, voegde ze eraan toe:

‘Dat was natuurlijk maar een grapje, want als mevrouw je onder handen zou nemen, zou je zó toegeven.’

Lina, de kindermeid, was al vijf jaar in het huis. Ze kwam de kinderkamer op twee hoog bijna niet uit; ze zat daar op de twee meisjes te passen terwijl ik de flesjes rondbracht, eindeloos linnengoed verstelde en het beddegoed streek dat op de buiten gewassen werd en ongestreken terugkwam. Alleen voor het eten kwam Lina naar beneden en dan zat ze altijd uit te varen tegen meneer, mevrouw, de jongens, het vele werk en vooral de hulpapotheker die boven aan tafel mocht zitten en van alles mee-eten. Hij wel!

‘Door de week moet hij bij het ontbijt gewoon boterhammen eten, maar 's zondags krijgt hij toch broodjes, leverworst en peperkoek. Wij krijgen nooit iets anders dan grote sneden bruin- en wittebrood. Tussen de middag krijgt hij ook van alles, en wij enkel kaas: kom daar maar eens de dag mee door! En wat we 's avonds aan vlees krijgen, hou op! En dan die eeuwige gestoomde aardappels met uien... mijn buik lijkt het korps van de tamboers en pijpers wel!’

‘Maar ik krijg 's middags niet eens kaas,’ zei ik.

‘Ja hoor 's, jij bent het loopkind maar, je bent niet van het

[p. 32]

huis en je hebt geen recht op meer.’

Op de tussenverdieping, waar het gezin overdag verbleef, moest ik vaak met de meisjes spelen. Mevrouw zat praktisch altijd aan een of ander borduurwerkje voor de jurkjes van de kinderen. Zij liepen altijd in het wit en mevrouw maakte de jurkjes zelf. Ze breide ook met een heel dunne steek witte en blauwe kousjes die de meisjes boven hun lakschoentjes in dezelfde kleuren droegen. Als ik met het jongste kind op mijn arm liep, keek ik naar mevrouws handen: hoe speelde zij het toch klaar, al dat fijne borduurwerk? Ik zou alles op de wereld gegeven hebben om ook te leren borduren; jammer genoeg was het enige wat mevrouw tegen me zei, dat ik op de kinderen moest letten.

Maar mijn grote vreugde, mijn extase in die kamer was een van de beide alkoven die erachter lagen, vol planken met boeken erop en bovendien een slordige stapel boeken op de grond. Ze waren van de jongens: schoolboeken waar ik niets van begreep, maar vooral kinderboeken met plaatjes. Elke keer wanneer mevrouw de kamer verliet omdat ze voor bezoek naar de salon moest of als zij de laden en kasten in haar slaapkamer opruimde, begon ik er met intens plezier in te graaien. Een van de jongens, Willem, die elf jaar was, liet mij m'n gang gaan en begon te sissen als hij zijn moeder hoorde naderen.

‘Als ik je mag zoenen, mag je alle boeken lezen en zal ik uitleggen wat er staat.’

Nou, zoenen, dat mocht hij ook wel zó, want hij had prachtig blond haar met een hoge kuif, een gladde roze huid en een heldere stem - enfin, net zoals rijke kinderen dat nu eenmaal hebben.

prepostterug  begin  verder