Willem is me d'r ook een: nu zijn nichtje van acht te logeren is, vraagt hij me niet of ik wil lezen, hij kijkt niet eens naar me om. Hij zoent maar, hij zoent 'r de hele tijd af, en waar iedereen bij is. Met mij doet hij het stiekem: waarom? Omdat ik zijn nichtje niet ben, omdat ik niet even netjes gekleed en gewassen ben, of omdat ik boodschappen loop...? Had ik haar mooie jurk en schoenen, dan zou ik er veel beter uitzien dan zij: mijn gebit is goed, de ene tand niet groter dan de andere, zoals bij haar, die een gouden beugel in haar mond heeft om ze bij elkaar te houden. Ze heeft bruine haren, bruine ogen, rode wangen; nu ja, alles bij elkaar is ze best om aan te zien en ze is Willems nichtje, dus hij mág haar zoenen...
Gerrit, de zoon van dertien, stond gisteren bij de kruidenier hiernaast, samen met een jongeheer die even groot is als hij en naar dezelfde school gaat. Ze keken naar me en ik hoorde Gerrit zeggen:
‘Net een kanarie, ook als ze zingt. Mijn moeder zegt dat haar geluid fantastisch is.’
Ze vinden mijn zingen dus prettig. Ik heb daarom de hele morgen in de keuken lopen galmen, dezelfde leuke liedjes die ik 's zondags in de Plantage hoor, als ik langs de tuinen wandel waar dames met blote keel en blote armen op een verhoging staan te zingen: ‘Martha! Martha!’ en ‘Zo gij gelooft aan 't heilig woord, spreek, Rosa, spreek dan niet.’
Op het plaatsje leunden de strijksters en de schoenmaker uit de ramen en riepen dat het mooi was. Maar in huis liepen Udo, de zoon die studeert, en Frans die op de militaire school is, te ijsberen in de salon waar ze werken en die naast
de keuken ligt. Zij lezen en schrijven daar - dat noemen ze werken. Later zijn ze naarboven gegaan omdat ze het niet meer konden uithouden. Toen ik ook boven moest zijn en nog altijd zong, keken ze mij aan alsof ik een ruit had gebroken, maar zeiden niets. Ik wou nog doorgaan met zingen toen ik er met de kleine meid uit moest. Toen zijn de zoons snel weer naarbeneden gegaan en heeft mevrouw gevraagd of ik nog niet moe was, omdat ik de hele ochtend al gezongen had tot de ruiten ervan rinkelden en hun hoofd ervan dreunde.
Ach ja, nou weer hun hoofd! En moet je háár horen, als ze aan de piano zit te zingen, een kakelende kip is er niks bij. Alles wat wíj doen vinden de rijken lelijk, en wat ze zelf doen, mooi...
Toen Willem van school kwam, vroeg ik hem of hij mijn zingen ook lelijk vond.
‘Nee hoor, en moeder zegt ook dat je een goede stem hebt en dat 't jammer is dat je hem wel nooit zult kunnen ontwikkelen.’
‘Ontwikkelen? Maar ik hoef mijn stem niet te ontwikkelen - die héb ik. Wat praat jij nou voor onzin... Zingen kun je niet leren, zegt mijn vader die zelf zingt zonder het geleerd te hebben, het is een gave van de natuur.’
‘Maar Keetje, als je nu...’
‘Ach welnee, 't is net als met je nichtje, als je lelijke tanden hebt dan helpt een gouden beugel ook niet.’
‘Maar Keetje...’
Ik liep weg, smeet de deur achter me dicht en ging naar zolder waar ik meer dan een uur bleef pruilen. Maar, dacht ik tenslotte, ze zijn toch vriendelijk gebleven en mevrouw heeft háást niks gezegd. Allen - zingen doe ik niet meer; ik had gedacht hun een plezier te doen en jawel, alles wat ik zeg of doe valt altijd verkeerd. En dan mijn stem ontwikkelen! Is ze soms niet goed genoeg, heeft iemand er soms hin-
der van gehad? Het is ook nooit goed... laatst nog, toen ik voor de baby een papieren molentje had meegebracht, zei Bet dat ik een spiering uitgooide om een kabeljauw te vangen... Mina dacht dat ik mijn oude lint uit gierigheid niet aan Naatje wou geven; maar als je iemand iets cadeau doet moet het keurig zijn, en dat lint was oud en vies... En dan dat jongetje dat een blikken karretje aan een touwtje meetrok. Het touwtje laat los zonder dat hij het merkt en zijn speeltje blijft staan; ik pak het op om het terug te geven en meteen begint een vrouw door het raam te gillen:
‘Hé, smerige meid, wil je dat wel laten, zo'n kind zijn speelgoed weg te nemen!’
Zie je, zo werd ik voor dief gescholden terwijl ik het karretje juist terug wilde geven. Niemand begrijpt wat ik wil. Ik ben net zo lief alleen en lees...
Gisteren heeft Willem mij zo'n mooi boek te lezen gegeven, - over koningin Esther, die ze vóór haar huwelijk een jaar lang met reukolie hadden ingewreven... lodderein natuurlijk, en kokosolie... Gos, wat zal die lekker geroken hebben! Toen hebben ze haar hele mooie kleren aangetrokken en op de trouwdag is ze flauwgevallen van angst voor haar man, koning Ahasverus... nou, kan ik me best voorstellen: op de prent had hij zulke woeste, rollende ogen... En later redt ze haar volk dat in de ellende zit en in gevangenschap zucht. Had ik ook gedaan! Als ik door heel braaf en vlijtig te zijn ons allemaal eens rijk kon maken, vader, moeder en de kleintjes! Vader zou paarden krijgen, moeder bestellingen voor kantwerk, en voor de kleintjes zou ik net zulke kleren kopen als de kinderen híer hebben. En de jongens zou ik houten paardjes geven. Zelf nam ik dan twaalf mooie jurken en vierentwintig poppen, en een alkoof vol boeken, net als Willem en Gerrit.
Koningin Esther was een jodin, daarom heette ze ook Esther. Ik zou koningin Keetje wezen... Keetje? Nee, voor een
koningin is dat niks. Kee, Kee... Ketelina. Dat klinkt: koningin Ketelina... Ik had dan een kroon en een sleep, en samen met Mordechai, die dan mijn oom was, zouden we toekijken hoe die vuile schoft van 'n Haman werd gehangen...
‘Keetjoe! Keetjoe!’
Lina roept.
‘Naar beneden, en vlug!’
Daar kreeg ik een mand vol flessen en doosjes, en ik ging de zieken weer af.