terug  begin  verderprepost
[p. 37]

Hele bijzondere prentjes

Het leven van Rembrandt van Rijn. Is dat mooi, Willem?’

‘Ja, dat zul je vast mooi vinden. Rembrandt is onze grootste schilder.’

‘Wat schilderde hij dan?’

‘O, portretten, schilderijen met joden uit de bijbel en anatomische lessen; hij heeft ook de nachtwacht geschilderd die zijn ronde doet, en hij heeft etsen gemaakt, heleboel etsen.’

‘Etsen, wat zijn dat?’

‘Hoe ze gemaakt worden weet ik niet zo precies, dat moet ik een vriend vragen - daarna vertel ik het jou wel. Maar dit hier is een ets, van Rembrandt nog wel: De vlucht naar Egypte. Weet je wat dat is, de vlucht naar Egypte?’

‘Ja natuurlijk, uit de bijbelse geschiedenis... Kijk, het ezeltje en Maria met het kindje Jezus, en Jozef loopt ernaast... Is dat nu een ets? Het zijn dus prentjes, maar gewone zwarte.’

‘Wel prentjes, maar hele bijzondere. Ik weet nog niet hoe het in elkaar zit. Je moet mijn vriend horen, als hij erover praat!’

‘Het ezeltje bevalt mij het meest, hij draagt Maria en het kindje zo gedwee op z'n rug. Vind je het ook geen lief ezeltje?’

‘Ja, maar je moet over etsen heel anders praten. Mijn vriend weet daar alles van... Weet je dat Rembrandt in de Jodenbreestraat heeft gewoond?’

‘Hier in de jodenhoek?’

‘Ja, vlak bij de brug.’

‘Was hij een jood?’

‘Nee, maar mijn vriend zegt dat hij de joden zo mooi kon schilderen omdat hij ze alle dagen zag.’

[p. 38]

‘Dan ga ik toch zijn huis eens bekijken.’

‘Daarna is hij in de ellende gekomen en moest hij verhuizen naar de Rozengracht in de Jordaan.’

‘Hé, hij zat in de ellende en daar schrijven ze dan boeken over! Dat wil ik weleens lezen. En waar zijn die portretten en andere schilderijen gebleven?’

‘De meeste hangen in het Trippenhuis.’

Iemand riep: ‘Willem, Willem, vlug, kom, 't is tijd voor school!’

Willem ging ervan tussen; ik klom de trap af en nam mijn mand vol flesjes en doosjes.

Eerst ging ik naar het huis van Rembrandt. Toen ik de brug over was zag ik het meteen, aan de rechterkant, want er stond op geschreven: Hier woonde Rembrandt. Ik ontdekte er verder niets bijzonders aan, het was een huis als alle andere, maar het deed me toch iets, dat een man die daar zo lang geleden had gewoond en in de ellende was gekomen, die stoep op en af was gegaan en achter de ramen naar de joden had gekeken om ze te schilderen. Hoe was het mogelijk, dat iemand die vuile joden met hun ontstoken ogen wou schilderen? Hij moest van ze gehouden hebben, zeker omdat ze arm waren. Ik hield ook van ze, want 't zijn goeie mensen... Mij had hij misschien ook wel geschilderd, want ik zag er niet beter uit dan zij... Ik ga direkt ook in het Trippenhuis kijken. Vader moet er vaak vreemdelingen heenrijden: hij zegt dat je, als de deur opengaat, schilderijen ziet met mensen in kleren zoals ze die eeuwen geleden droegen.

Ik werkte mijn boodschappen zo gauw mogelijk af en bewaarde die van de dame naast het Trippenhuis voor 't laatst. Toen ging ik de brede stoep op en wilde naar binnen. Een man, die op een krukje zat, hield me tegen met zijn hand.

‘Wat kom je hier doen?’

‘Ik wil de schilderijen en de prentjes van Rembrandt zien.’

‘Jíj? Je hoepelt nu meteen op, of ik zál je rembrandten!

[p. 39]

Vort, scheer je weg en vlug, of heb je dubbeltjes om te betalen?’

Hij duwde me de deur uit en gromde: ‘Waar haalt zo'n kind het vandaan?’

Toen ik uit zijn bereik was spuugde ik naar hem en schold hem uit voor rotvent. En aan vader zou ik zeggen dat hij er geen klanten meer heen moest brengen. Had je ooit! Kon hij me niet eventjes stiekem binnenlaten?

Toen ik terugkwam bij de apotheek, waren Bet en Lina helemaal in de war. De afgelopen nacht waren de hulpapotheker en de grote zoons uitgegaan en heel laat teruggekeerd. Een van hen had bij zijn thuiskomst vreselijk overgegeven, nog wel over het buffet, maar niemand wilde toegeven dat hij het was geweest. De meiden vertikten het de plas op te dweilen en durfden ook niet bij mevrouw te gaan klagen, en nu wilden ze mij ervoor op laten draaien.

‘Ik doe het niet, ik ben het loopmeisje, ik ben niet van het huis, het is júllie zaak!’

‘Je wilt niet? je zúlt!’ gilde Lina, wit van woede. Ze greep de emmer met water en door mijn vingers om het hengsel heen te knijpen wilde ze mij dwingen hem vast te pakken. Maar ik gaf hem een schop zodat hij over de pas gedane keukenvloer tolde, ik rende de deur uit en ging naar huis. Iedereen gaf me daar gelijk, Mina voorop, en ik ging niet naar de apotheker terug.

Ik dacht aan het boek over Rembrandt dat ik nu niet kon lezen, en ook wel een beetje aan Willem, maar niet veel. Tenslotte was hij van de rijken. Moeder besloot dat ik maar weer naar school moest: ‘Daar is dat kinderachtige nest nog 't beste opgeborgen.’

prepostterug  begin  verder