‘Vader komt maar niet thuis, hij zal de helft van z'n geld wel weer zitten verdrinken. Ik kan echt niet naar hem op zoek gaan, Klaasje zit nog altijd met die buikpijn; ga jij es kijken, Keetje, of je hem niet vindt bij de Drie Druifjes, of bij de hinkepink, of ergens anders.’
Ik erop uit. Bij alle caféramen probeerde ik eerst door de spleten van de gordijnen te loeren en daarna luisterde ik of ik vader soms hoorde zingen, want hij had een vrolijke dronk, vader. Bij de hinkepink hoorde ik zijn stem, nogal opgewonden: ‘Mijn paarden zijn me zoveel als kinderen! Ze zijn goed, verstandig, en ik zal je zeggen: om me in hun box een plaatsje te geven om uit te rusten, gaan ze expres een beetje opzij.’
Hij had 'm om, maar was niet echt dronken. Ik deed de deur op een kier en keek eerst hoe ik ontvangen zou worden.
‘Ha, Poeske,’, riep hij zodra hij me zag, ‘je komt me halen, kind, kom maar binnen.’
Ik ging binnen. Meteen deed het mij weldadig en behaaglijk aan; het was er warm en licht, de planken vloer was met wit zand bestrooid en op de toonbank stonden ketels met koffie, thee en chocola te dampen. De hinkepink, met haar gesteven muts, haar witte jak en zwarte rok waarover een wit schort, droeg haar juwelen van goudfiligraan en haar ketting van granaat, die ze alleen op zaterdagavond, zondag en maandag opdeed. Ze glimlachte naar me:
‘Ach, die kleine meid, ze komt haar vader opzoeken! Een kop chocola voor de jongejuffrouw! Wat heeft ze een mooie haren, Dirk, zo'n meisje doet je eer aan!’
Vader had me op schoot genomen.
‘Kijk eens, je chocola!’
Trekkend met haar been bracht de hinkepink een kop chocola waar de damp afsloeg, met een biskwietje.
‘Nou, de merrie had een gezwel aan d'r been, en de dierenarts beweerde dat het een bloeduitstorting was en liet het met allerlei zalfjes insmeren. Maar nee hoor, het hielp niks. Overdag, als het dier werkte, kon het helemaal niets bijzonders oplopen; toen ben ik een nacht bij haar gebleven, en jawel, ze rustte precies met die plek op haar hoefijzer. Ik heb bij de zadelmaker een stevig kussentje met een riem besteld en dat deed ik 's avonds om de hoef. Na drie dagen was er niks meer te zien. Om de dieren te leren kennen moet je ze goed waarnemen, dan leer je ze net zo goed begrijpen als je kinderen. Leen, nog een bittertje!’
Hij liet me proeven. En omdat ik mijn kop chocola al leeg had en alles mij hier verrukkelijk aandeed, proefde ik terwijl vader zat te praten nóg eens aan het glas.
Hè, wat is het hier lekker! Tegen vader aangeknuffeld zie ik alles heen en weer deinen, maar mooi dat het is, en de zingende mensen en de hinkepink zijn mijn vrienden. Hoor, daar zingt vader ook, niemand heeft een stem als de zijne. En dan ga ik ook zingen: Wilhelmus van Nassouwe...
‘Nee, dat niet,’ zegt vader, en hij zet in: ‘In 't groene dal, in 't stille dal, waar kleine bloempjes bloeien...’
Met heel hoge stem neem ik het over.
‘Hoor eens, wat een nachtegaaltje; die heeft een fortuin in haar strot.’
De een na de ander waren de klanten vertrokken, meegetroond door hun vrouwen.
‘Dirk,’ zei de hinkepink, ‘ik geloof dat je er goed aan doet om met de kleine naar huis te gaan, en loop niet te dicht langs de wallekant.’
‘Goed, Leentje, goed. Kom, Poeske!’
Wij gingen naar buiten. Ik gaf vader een hand. Het was beginnen te sneeuwen en opeens liet ik hem los en maakte sneeuwballen om hem ermee te bekogelen. Hij begon te lachen als een gek, zich op de dijen slaand: ‘Wacht maar, schoffie!’ En toen begon hij op zijn beurt te gooien tot mijn oren ervan tuitten. We lachten dat het schaterde en maakten een grote omweg, elkaar in de sneeuw achtervolgend. Ik trok ergens belletje en we gingen ervan door alsof het oudje dat daar woonde ons achternazat.
Toen walste ik naar hem toe. Hij greep me onder de armen en begon fluitend met mij te dansen: hij liet me pirouetten draaien onder zijn arm door, met onze vingertoppen tegen elkaar. Dan liet hij me los en walste ik voor hem uit terwijl hij me, steeds nog fluitend, volgde en zelf ook danspassen maakte. En zo zwierden we door, tot achter in het slop, voor onze deur. Ik hief de klink op: de kaars was op, het vuur uit. Moeder, nog altijd bezig met het huilende Klaasje, ging woedend vóór ons staan, schreeuwend van kwaadheid en mij trappen verkopend. Vader en ik zeiden niets meer, helemaal ademloos door dat geweld. Ik kroop vlug in het stro, bij de kinderen, en vond het misselijk dat je nooit eens plezier mocht hebben. Vader speelt bijna nooit meer met ons en áls hij het doet, nou, dat zie je... Als ik groot ben, ga ik ook zo gauw ik kan naar een café: daar is het warm, licht en gezellig, en hier...
Vader was heel gauw in bed gestapt en ik zag moeder, met griezelig vertrokken gezicht, koortsachtig zijn zakken legen.