terug  begin  verderprepost
[p. 43]

Moeders juwelen

Ieder jaar als de lente kwam werd moeder neerslachtig en onrustig, want dan moesten de lommerdbriefjes worden vernieuwd voor wat zij in haar geboortestad had liggen: haar juwelen, haar mantel en haar sjaal. Als zij het geld niet had, leende zij het, ze liet ons vasten of versjacherde onze kleren, maar dat het geld voor de verlenging er moest komen, was zeker. En helemaal opgewonden beschreef ze ons voor de honderdste keer haar oorbellen en haar broche.

‘Op het bovenstuk zit een hartje en de hangers zelf zijn van filigraanwerk met drie glinsterende gouden slingertjes erop, dan nog een klaverblaadje met drie vierkante nopjes eromheen en tot slot vijf stralen, net of ergens licht uit schijnt. De broche is van zigzagwerk in filigraan met een groot blad in het midden, ook met nopjes en stralen eromheen en er hangen drie hartjes aan. Toen ik nog meisje was heb ik jaren gespaard om dat allemaal te kunnen kopen, en toen het mij evengoed niet lukte het bedrag bij elkaar te krijgen, ben ik naar de juwelier gegaan en heb ik aangeboden er een kanten kraag en zakdoek bij te geven, en dat vond hij goed... Mijn mantel is gemaakt van een hele zware bruine stof en heeft een driedubbele kraag; de sjaal is van witte kasjmierwol met roze en groene versiersels - eigenlijk is het een halve sjaal, maar als je draagt zie je dat niet. Twintig jaar ligt dat nu al bij Ome Jan; of ik het ooit terugzie is de vraag...’ en er vloeiden grote tranen over haar mooie gezicht.

‘In elk geval heb ik weer verlengd, ze kunnen mijn bullen niet verkopen.’

Zolang we op de wereld waren hadden we ieder voorjaar hetzelfde verhaal gehoord en dezelfde klachten. Als ik

[p. 44]

droomde dat ik Fleur-de-Marie was die door Prins Rodolphe ten huwelijk wordt gevraagd, dan droeg ik altijd de juwelen en de halve sjaal van moeder...

Op een avond kwam Mina, die een tijdje slecht verdiend had, met hoogrood hoofd, stralende ogen en een opgetogen gezicht binnen. Toen ze langs de tafel liep zag ze dat moeder alweer voorgetekend had hoe de juwelen eruit zagen.

‘Hebt u zich daar weer de hele avond mee op zitten winden?’

En terwijl ze moeder aankeek, zag ik op haar gezicht een uitdrukking van zo innig medelijden als ik nooit bij haar verwacht had. Ze ging op moeder toe, fluisterde haar iets in het oor en gaf haar een papiertje dat moeder vast in de handen klemde. Zij begon Mina te kussen alsof er nooit een eind aan hoefde te komen.

Drie dagen lang wachtten wij in koortsachtige spanning af. Toen kwam het pakket.

Moeder was niet in staat om het touwtje los te maken en dus deden wij het. Uit een dot schrale, vergeelde watten kwamen de sieraden tevoorschijn; moeder tilde ze met de vingertoppen omhoog, betastte ze en bekeek ze van alle kanten terwijl haar oogleden aan één stuk door knipperden van de zenuwen; toen hield zij de juwelen vóór zich om ze ons te laten zien.

En prullen dat het waren! Monsterlijke oorhangers van zeker tien centimeter; een broche zo groot als een handpalm, van volkomen zwartgeworden filigraan, waar hele magere roodachtig-gouden motiefjes op waren aangebracht, 't leken wel een soort schilletjes. Zulke lorren droegen allen kermisvrouwen...

‘Afschuwelijk!’ riep ik uit, ‘maar de mantel!’

We pakten verder uit. Er kwam een zwaar kledingstuk van stijve, grove wol tevoorschijn, met drie over elkaar genaaide pelerines... hij ging van hand tot hand en wij, kinde-

[p. 45]

ren, wisten niet hoe luid we moesten verkondigen wat 'n kreng het was. En de sjaal...! een armoedig vod, zoiets als de bedelares bij de kerk om haar middel geknoopt had.

Vader, in hemdsmouwen, stond met de armen over elkaar toe te zien en zijn blikken gleden van moeder naar ons en terug: zij was helemaal van haar stuk en bleef haar bezit met de grootste omzichtigheid behandelen.

‘Laat ze kletsen, Cato, je juwelen zijn mooi, héél mooi, nog net zo prachtig als toen je ze kocht, en je ze zondags droeg als we gingen wandelen... Er was in de hele stad geen tweede te vinden zoals jij, Cato, als je je hemelsblauwe jurk droeg met de crinoline eronder, je witte sjaal met dat oosterse motief en je Brabantse kanten muts met die bruine strikken en witte bloemen erop. Van je oren was alleen het benedenstukje te zien met je hangers die langs je schouders streken... God, wat was je mooi, Cato; als je uitging was er geen gendarme-vrouw te zien, ze hielden zich allemaal schuil, uit jaloezie. Doe je oorbellen aan, Cato, en je sjaal, ik wil je zo weer zien...’

‘Nee,’ antwoordde ze verlegen, ‘nee, mórgen, dan ben ik ervoor gekleed.’

‘Nee, Cato, doe ze aan: ik wil zien dat je nog even mooi bent als toen.’

Met trillende vingers deed moeder de oorhangers aan, ze sloeg de jaal om, stak de broche op en ging voor vader staan.

Hij bekeek zijn vrouw. Zijn gezicht vertrok in een afschuwelijke grijns om niet te hoeven lachen, maar het werd hem te machtig, hij brak in een schorre lach uit... toen sloeg hij zijn arm om moeder heen, trok haar op schoot en samen begonnen ze te schreien.

Wat die twee zich toch aanstelden... was dat nou alles, waren dat die mooie dingen van toen ze jong waren, waarover we avonden zonder eten en zonder licht waren doorge-

[p. 46]

zaagd? Die belachelijke dingen, waren die nou om groots op te gaan? Hadden ze werkelijk gedacht dat ze, daarmee opgetut, mooi waren? Hadden ze zo ooit van elkaar kunnen houden? Nee - ach, dan was het tegenwoordig toch allemaal mooier en beter! Huilden ze omdat die oude tijd voorbij was?

Waren die mensen met hun rimpels en hun witte haar wel ooit jong geweest? De mensen zeiden dat ik op moeder leek; maar het was toch niet mogelijk dat zij er zo had uitgezien als ik, of dat mijn hoofd eens op het hare zou lijken...

Mina en ik keken elkaar aan en ons schouderophalen betekende hetzelfde - ze waren belachelijk. 't Was ook geen gezicht dat oude mensen bij elkaar op schoot zaten te grienen.

Mina's blik was hard en koud, de mijne moet het ook geweest zijn. Maar de kleintjes stonden allemaal om vader en moeder heen en huilden mee.

prepostterug  begin  verder