‘Moeder, alstublíeft, laat me daar werken, een gulden in de week is toch niet niks! Ik ben groot en op school word ik behandeld als een bedelaarskind omdat ik geen nette kleren draag. Een gulden in de week, dat is de hele huur...’
Ik zat erop te spinnen weer de stad in te kunnen gaan, net als toen ik bij de apotheker werkte, weer in de verte de draaiorgels te horen, de wind door mijn haar te voelen spelen en alles net als de grote mensen te doen terwijl de anderen, de kleintjes, op school zaten waar je verging van de dorst en je zelfs niet naar buiten mocht als je je vingers opstak... Nee, deze keer zou ik er wel voor zorgen dat ik niet naar school terug hoefde... Maar dat zei ik natuurlijk niet tegen moeder. Ik zeurde net zo lang tot zij toegaf en ik loopmeisje bij een hoedenwinkel mocht worden. Ik ging er op een maandagmorgen heen. De hoedenmaakster nam me met kille blik op.
‘Heb je geen hoed? En niets om je hals? Als je die tenminste nog gewassen had...’
Ik kreeg een zwaar pakket vol stukken zeep om naar het andere eind van de stad te brengen. Dat was een tegenvaller voor me, omdat 't geen hoeden waren: hoeden naar de dames brengen leek me bijna net zo mooi als ze zelf te mogen dragen. Ik hoefde er maar aan te denken en er ging al een rilling door me heen.
Toen ik terug was, gaven ze mij een grote houten doos vol hoeden en een half dozijn adressen en kwitanties. Ik moest weer de hele stad af. De doos was zwaar: ik droeg hem aan mijn linkerarm, die ik met mijn rechterhand extra steun gaf, en met voorovergebogen lichaam liep ik de straten af terwijl
de doos bij elke stap langs mijn heup schuurde. Iedere keer als ik hem opende en ik de hoeden zag, vol strikken, veren en bloemen, was ik vol bewondering, en met de uiterste zorg en eerbied haalde ik de hoed tevoorschijn die ik moest afleveren.
Bij het eerste adres gaf men, behalve de zes gulden van de rekening, vijf cent die ik zelf mocht houden. Dat ging goed, daar kon ik net een broodje met leverworst voor kopen... nee, ik zou het geld aan moeder geven, dan kon ze zien dat ik heel veel kon verdienen.
Op een ander adres kreeg ik weer vijf cent. Kijk een aan, op die manier zou ik nog meer verdienen dan vader en dat mispunt van 'n Mina, die elke week jankte dat ze haar uitzogen, als ze dat ene kwartje van haar verdienste moest afdragen. Dat kon ik nu in drie dagen verdienen en op die manier zouden we best zónder haar kunnen... En dat vader zijn fooien verzoop! Dat begreep ik niet, het was veel leuker om ze op tafel te kunnen leggen, dan ging er iets gloeien van binnen...
Toen ik tussen de middag naar huis kwam om te eten, maakte ik snelle stappen net als de groten en bleef ik niet stilstaan om met de kinderen te praten, zoals ik de dag tevoren nog gedaan had... Ik heb een betrekking, ik moet net zo lopen als de werklui die naar huis gaan, vlug-vlug, om klokke één weer op het werk te zijn...
Ik telde mijn tien centen op tafel uit, waar iedereen bij stond.
‘Mooi zo, ik leg ze opzij tot je genoeg hebt om een jurk te kopen,’ zei moeder, ‘de hemel weet dat je er een nodig hebt!’
‘Nee, het is voor het huishouden! Daar heb je veertig turven voor, of twee kop aardappels, of twee witte kolen of een pond rijst...’
‘Welja, we kunnen er het hele gezin van te eten geven!’
's Middags moest ik er tweemaal met de grote hoeden-
doos op uit. Ik droeg hem nu eens aan de ene, dan aan de andere kant en mijn rug stond helemaal krom.
‘Het lijkt wel of ze de trekschuit moet slepen,’ zei meneer (die niets in de zaak deed) lachend.
Alleen om vier uur ging ik even op een stoep zitten om mijn boterham te eten.
Toen het op Pasen liep, ging het bezorgen van de hoeden door tot soms één uur in de nacht. Wat de fooien betreft was het heel ongelijk. Uitgerekend op de deftige grachten kreeg ik nooit wat en ik beschouwde de mensen die daar woonden als harteloze rijkaards. Toch ving ik eens op dat een dame achter in een gang het geld van de rekening aan de huisbediende gaf en er nog iets bij deed, zeggend: ‘Dat is voor het meisje!’ Daarna verdween zij weer in een kamer. De knecht liet het in zijn zak glijden.
‘Hier is het geld,’ zei hij.
Ik ging, maar zodra hij de deur had gesloten schold ik hem luidkeels uit voor schoft en afzetter.
Na korte tijd waren mijn heupen helemaal ontveld en had ik de blaren op mijn voeten staan. De hoeden zeiden me niets meer: het was juist de schuld van die stomme prullen voor de rijken, dat alles me pijn deed.