Ik moest de eerste verkoopster vergezellen naar een meisjespensionaat, waar men wat hoeden ter keuze wilde zien. Ze liet me vijf passen achter zich lopen met twee houten dozen, die mijn huid tot bloedens toe schuurden. Ze droeg een grijze japon met schuine blauwe banen en daaroverheen een korte mantel waar je haar rijgschoenen van goudbruine lasting onder zag, met vierkante neus en afgelopen hoge hakken. Ze had gele wenkbrauwen, groene ogen met lange witte wimpers en een hoog maisblond kapsel dat bekroond werd met een grijze hoed met roze en blauwe linten - het model heette ‘Pamela’. Haar garen handschoenen waren vuil en versleten, vol gaten zelfs; ook droeg ze een piepklein parasolletje met heel lange stok. Zoals ze voor me liep, met naar voren geslingerd lijf vanwege de hoge hakken, wou ze er kennelijk deftig en belangrijk uitzien. Vaak glimlachten heren haar toe.
Aangekomen bij de Oude Zijds Achterburgwal laat ze mij een hoge stoep opklauteren, ze belt en wij worden door een kiertje van de voordeur binnengelaten. Maar weet ze het dan niet - dit is een hoerenkast! De vrouwen zitten hier de godganse dag achter het raam of lopen voor het huis om mannen te lokken; elke keer als ik er langsga houden ze mij in de gaten.
We werden in een zijkamertje gelaten, waar twee vrouwen zaten, van wie één zeer oud was. Ik deed de dozen open; ze slaakten gilletjes van bewondering en begonnen direkt de hoeden op te zetten. Ze hadden iets te lage kapsels, maar de eerste verkoopster stak de kammetjes er wat anders in en riep, de handen in elkaar slaand:
‘Ja, zo is het precies goed! Beeldig! Het wit van de hoed laat uw frisse teint zo goed uitkomen!’
‘Ja, daar hebt u gelijk in. Ik neem hem.’
Toen stak een dame haar hoofd door de deur.
‘Kunnen we kijken?’
‘Ja, kom binnen.’
Drie anderen volgden haar. Ik bekeek hen nauwkeurig: jazeker, het waren hoeren - maar sjiek! sjiek! Zijden jurken, hoogopgestoken blonde en bruine kapsels, en wat een prachtige huidskleur! Nu, ik wist wel dat 't uit een doosje kwam, maar wat rook het lekker!
Zij pasten alle hoeden.
‘O, dat grijs met die vergeet-mij-nietjes!’
‘Ik neem die met de gele linten en de rozen...’
Eén van de vrouwen nam me bij de kin en zei:
‘Hm... hoe oud ben je?’
‘Dertien.’
‘Nog 'n jaar of twee, drie, en ze is een schoonheid.’
Ze gaf me wat zuurtjes.
De eerste verkoopster was druk in de weer: ze hielp met passen, strikte linten, trok lokjes onder de hoeden tevoorschijn en zwengelde zo heftig aan haar eigen ‘Pamela’ tot die haar bijna over de ogen zakte. Tenslotte verkocht ze vijf hoeden inplaats van twee, zoals ze had gedacht: ze kostten twaalf gulden per stuk en werden contant betaald. Ik kreeg voor mezelf een kwartje en nog meer zuurtjes. Maar toen we buiten stonden zei ik:
‘Ik dacht dat we naar een meisjespensionaat zouden gaan, maar dit was een bordeel.’
‘O, wij noemen het altijd pensionaat om het platte woord dat jij gebruikt te vermijden.’
‘Maar wat zegt u dan tegen een echt pensionaat?’
En toen er geen antwoord kwam, vervolgde ik:
‘Ik wist niet dat wij aan hoeren verkochten.’
‘O, maar dit zijn hele sjieke - menige deftige dame zou willen dat ze hoeden van twaalf gulden had. En we gaan toch niet naar de Zeedijk, dus... Met een van de dames heb ik trouwens Frans gesproken, heb je gehoord?’
Ja, dat was zo en ze waren allemaal erg netjes en vriendelijk geweest, en ze hadden zo lekker geroken! Waarom zeggen de mensen eigenlijk dat ze oneerbaar en onfatsoenlijk zijn? Alweer een leugen...
Bij de brug liet ze mij weer achter zich lopen. In de zaak waren ze in de zevende hemel dat we de vijf duurste hoeden los waren.
Toen ik het verhaal 's avonds thuis vertelde, zei moeder ook dat ze juist aan díe vrouwen haar kanten kraagjes en zakdoeken het makkelijkst verkocht had, dat ze royaal en goedhartig waren, dat ze haar meer dan eens te eten en te drinken hadden gegeven en soms meer hadden betaald dan ze gevraagd had.
‘Nou, maar dan... Eén heeft me gezegd: nog twee of drie jaartjes... Mina is drie jaar ouder dan ik, waarom wordt ze geen hoer...? Ik dacht altijd dat ze de zakken van de mannen leeghaalden. De eerste verkoopster sprak heel beleefd tegen ze, helemaal niet zoals tegen de werkster die ze een lui varken noemt, wanneer het atelier niet snel genoeg is opgeruimd.’
‘Jij bent nog een kind, jij weet niets van die dingen - hou je daar dan ook niet mee bezig. En vooral niet als Mina in de buurt is, hoor je! Wie weet wat die nog in d'r hoofd zou halen...’
‘Maar...’
‘Mond houden, begrepen?’
Ik zei niets waar Mina bij was, maar eenvoudig omdat ik haar niet kon uitstaan en voor niets ter wereld wilde dat zij ook zulke mooie kleren zou krijgen en zo lekker zou ruiken.