Mevrouw had gezegd dat ik de dozen met corsages en bloemen, die de klanten altijd door elkaar woelden, weer op orde moest brengen. Dat was echt een werkje voor mij. Alle garneersels en strikken die door mijn handen gingen gaf ik hun eigen bestemming voor de kleren van de kleintjes, van mezelf, moeder en zelfs Mina. In gedachten doste ik ons allernaal in fournituren uit en wat er overbleef schikte ik tot boeketten en trossen die ik op tafel zette of aan de zoldering en in de hoeken van de kamer hing, net zoals ik gezien had in de huizen waar ik hoeden moest afleveren.
Ik was juist druk bezig toen een dame met drie meisjes binnenkwam.
‘Wil je even de juffrouw roepen, meisje?’
Ik ging naar achter en haalde mevrouw.
‘Ik wou graag wat hoeden zien voor mijn dochtertjes.’
‘Welke prijs had u gedacht?’
‘Tussen de drie en de vier gulden. Ik heb er drie nodig, dus u wilt wel iets van de prijs afdoen.’
‘Keetje, geef me eens wat hoeden uit de kist.’
Aan de toon van haar stem hoorde ik dat zij het de moeite niet waard vond om de tweede verkoopster te laten komen, die trouwens ook op het atelier werkte en bovendien de rekeningen uitschreef. Ze zou het zelf wel even afdoen.
Ik haalde de kant en klare hoeden tevoorschijn, die aan haakjes in een oude kist hingen. Maar de dame liet zich niet afschepen: ze probeerde ongeveer alle hoeden op de hoofden van haar dochtertjes, trachtte op de prijs af te dingen en inspecteerde de garnering, alles heel rustig en in keurige taal. Alleen de dames van de Herengracht spreken zo, dacht ik,
maar die dragen andere jurken en schoenen. Deze zijn tot op de draad versleten en de fleur is er allang af: 't moeten kou-we-aardappelen-mensen zijn, ik zie het al: ‘De halve helft van een half pondje boter, in plakken gesneden graag, want ma ontvangt vandaag...’
De dame speelde het klaar om voor negen gulden drie hoeden te krijgen, die het jaar tevoren nog vier gulden 't stuk hadden gekost. Met een paar handige tikjes op de bol en de rand maakte zij ze weer modieus. Ik moest ze diezelfde namiddag nog brengen.
‘Zulke gierige krengen,’ zei mevrouw, ‘en daar moet je dan nog beleefd tegen zijn! Meneer is zeker officier en ze moeten naar een partijtje toe, ik kén dat soort: de kinderen gaan in zelfgemaakte jurkjes en mevrouw laat zich excuseren, ze heeft zo'n migraine, maar in werkelijkheid niets om aan te trekken. Dus pa in uniform moet er met zijn dochtertjes maar op uit... Keetje, één ding: je geeft die hoeden alleen af tegen betaling, anders kan ik wachten tot ik een ons weeg.’
Dat gebeurde. Ze betaalden wel, maar ik kreeg geen fooi. Kale neten, dacht ik, één van de meisjes was aan het afstoffen met handschoenen aan, gossie, wat een kouwe kak!
Ik kwam terug.
‘Zo, ze hebben tenminste betaald, ik was al bang dat je iets doms zou uithalen; je moet bij zulke lui altijd gelijk oversteken.’
En eensklaps richtte mijn woede zich tegen mijn bazin en in stilte foeterde ik haar uit: ‘Zulke lui, jawel, 't is nét als wanneer wij de huur niet kunnen betalen, dan zijn we ook misdadigers en onze kleintjes zijn dan een bende vuilakken waar de zweep over moet. Die dame praat als... als een gravin en het is keurig netjes bij haar thuis. Ik zag door de deur dat één van de meisjes piano speelde, het andere zat hardop Engels te lezen of misschien wel Frans en de derde nam stof
af met mannenhandschoenen aan en een doekje om haar blonde haren, dat ze niet stoffig zouden worden... En ze waren érg lief en érg knap, o zo, en u en de eerste verkoopster zijn van hetzelfde soort als die wijven van laatst. Die bevielen u wél, hè, met vijf hoeden van twaalf gulden!’
Razend van woede ging ik achter de toonbank zitten. Toen kwam een jongeman binnen, die mij in het Duits oude kartonnen dozen te koop aanbood. Ik meldde het mevrouw.
‘Ben je gek? Ga gauw terug naar de winkel, het is natuurlijk een zwerver of een dief.’
Ik gaf de dozen terug, de jongeman ging de deur uit. Hij moet een Duitse deserteur zijn, overlegde ik (vader had het daar dagelijks over) en hij staat zonder eten op straat. Ik zocht in mijn zak, ik wist dat ik nog twee centen had. Helemaal bevend rende ik achter de jongeman aan en gaf hem het geld. Hij nam zijn hoed af en zei: ‘Danke schön!’ Ik vluchtte naar een kamer boven, waar ik lang uithuilde.