Toen ik eens met mijn dozen door de jodenbuurt zeulde, kwam ik een ouder meisje tegen dat met mij op school had gezeten: ze was de dochter van een wasvrouw. Ze had een geelachtig bleke gelaatskleur en zo scherpe ogen, dat ik haar niet recht aan durfde kijken. Ze heette Rika.
‘Wat doe jij voor werk, Keetje?’
‘Ik zit in het modevak.’
‘Wat natuurlijk betekent dat je loopmeisje bent, je moet hoeden door de stad sjouwen. Mijn moeder heeft een meisje in de leer, dat óók niet de kans krijgt iets op te steken: ze moet het wasgoed halen en brengen en daarna kan ze schoonmaken. Zo zal 't bij jou ook wel wezen, niet? Ik heb het vak al bij mijn moeder geleerd, ik ben strijkster.’
‘Vandaar zeker dat je er zo geel en kreukelig uitziet!’
‘Dat ik lelijk ben hoef jíj me niet te zeggen, dat weet ik best. En dat kan me niet schelen ook, zolang ik mijn spleet heb... Gut kind, kijk me niet zo aan! Jij noemt dat nog een plassertje of zo, maar als je groot wordt krijgt dat wel andere namen. Voor de mannen is dat het enige waar het op aankomt bij een vrouw; mooi of lelijk doet er niet toe, als je dát maar hebt. Jij met je kanariehaar en je frambozenmondje denkt zeker dat je alles hebt, jawel, maar over twee of drie jaar, als je even oud bent als ik, zul je wel merken dat het maar om één ding gaat. Zin in zuur?’
Bij het karretje van een jood trakteerde ze mij op plakken zoetzure komkommer en sloeg er zelf minstens een half dozijn van naarbinnen.
‘Weet je, als er klachten zijn over boorden of mannenoverhemden, dan ga ik er altijd zelf op af - de mannen zijn
royaal. Voor ik thuiskom moet ik het geld dat ze mij geven altijd opmaken aan lekkers, want moeder zou mijn nek omdraaien als ze het vond. Alleen als ik te lang wegblijf of als ze ruikt dat ik zuur heb gegeten, doorzoekt ze mijn spullen en krijg ik ros. Nou ja, ik denk dan maar: “Sla d'r rustig op los, ouwetje, wat je me bij de geboorte hebt gegeven kun je me niet afpakken...”’
Bij een hoek moest Rika de andere kant op.
‘Dus denk erom, als je groot bent, laat 'm niet beschimmelen, dat zou zonde en jammer wezen...’