Wat ons nú weer overkomen is - we hebben allemaal de schurft. De kleintjes zijn van school gestuurd omdat ze andere kinderen hebben aangestoken, dus zitten we allemaal thuis. Moeder zegt dat we 't hebben opgelopen door nicht Kaatje, die het op haar beurt zou hebben gekregen van de hoeren die haar moeder in haar café heeft genomen om matrozen te lokken. In elk geval, we zitten ermee: we hebben overal blaasjes, zelfs tussen de vingers, en we krabben onze huid tot de vellen erbij hangen. Het mankeerde er nog maar aan dat ik het atelier zou hebben aangestoken - om te gillen, de eerste verkoopster met schurft! Evengoed zou dat ellendig zijn geweest, want dan hadden ze me ontslagen.
Ik denk nog vaak aan Woutertje Pieterse, die helemaal mijn held is geworden, maar als ik hem nú zou ontmoeten, zou hij misschien ook de schurft krijgen en als hij dan naar de dokter op de Kloveniersburgwal ging, zou die het zien en denken dat Wouter het bij de vrouwen had opgelopen, want dáár komt het door: vader en moeder zeggen het zelf en schelden op tante Na, bij wie wij het hebben gekregen.
Nou, mij zien ze daar niet meer. Ik heb er vaak lol getrapt met Kaatje als we de meiden zagen dansen en zelf in een hoekje meededen. Als je ziet hoe ik wals en de Scottish kan dansen, nou! Laatst heeft een matroos me nog onder de oksels genomen en de Scottish met me gedanst: tante Na stond erbij te lachen, maar toen kwam ome Klaas en die heeft me de keuken ingetrapt.
Moeder is met Kees, die van onder tot boven blaasjes op zijn huid heeft, naar de armenapotheek van de stad gegaan: daar heeft de dokter haar een pot gele smeersel gegeven waar-
mee we ons moeten inwrijven, en dan moeten we ons wassen met teerzeep en heet water. Dat spul bijt - we kunnen wel gillen. 't Is trouwens nog een heel gedoe: we hebben elke avond drie emmers water nodig, dus dat is alleen al voor het water drie cent, zodat wij het andere water dat wij nodig hebben, voor de aardappels en zo, maar lenen bij een buurvrouw die een kraan heeft. Moeder kan het linnengoed nooit behoorlijk uitwassen doordat het water zo duur is. Wouter weet dat wel, maar ik zeg het toch maar even, want stel je voor dat ik hem in de stad ontmoet en hij denkt: wat een vieze meid is dat. Míjn schuld is het niet. Als wij aan zee zouden wonen, zou ik me daar nu en dan in wassen en voor de hele dag schoon zijn. Maar hier, waar je het water per emmer moet kopen, word ik temet goor.