Ik moest op de winkel passen omdat op het atelier koffie werd gedronken. Er kwam een vrouw binnen met een omslagdoek om de schouders en een muts op het hoofd. Ze had een meisje van 'n jaar of tien aan de hand.
‘Waar is de juffrouw?’ vroeg ze, ‘ik wil voor mijn kleindochtertje een hele mooie hoed hebben.’
Ik riep mevrouw. De klant was een visverkoopster die elke dag op de riviervismarkt aan de Nes met paling stond, en ze woonde in het steegje waar onze keuken op uitkwam. Als wij onze halzen uitrekten, keken we bij haar de kamer in en als zij naar beneden keek zag ze ons. Zij was altijd met haar dochter aan 't bekvechten om het kleinkind:
‘U kleedt haar als een prinsesje,’ riep de dochter dan, ‘terwijl u mij, uw eigen vlees en bloed, rustig laat stikken!’
‘Moet je dát horen,’ antwoordde de grootmoeder, ‘het is haar eigen kind en dan is ze jaloers omdat ik het knap in de kleren steek. Als je je geen kind had laten maken, dan was alles voor jou geweest!’
Zo ging het daar iedere dag, de beide vrouwen raakten nooit over het kind uitgekibbeld. Corrie en ik stonden er soms met open mond naar te luisteren:
‘Hé, moet je horen, de viswijven van boven zijn weer bezig...’
Ze had niet veel tijd nodig om haar keus te maken: het moest een wit strohoedje worden met hemelsblauwe linten en een toefje oranje roosjes.
‘Ja, dat ziet er echt vrolijk uit, en ik betaal nú vast.’
‘Vijf gulden dus, maar u hoeft pas te betalen als de hoed wordt gebracht, ik doe de kwitantie er bij.’
‘Ach, een kwitantie, dat is voor ons soort mensen niet nodig. Ik moet de hoed zondag hebben, dan gaan we naar de Meer.’
‘Er wordt voor gezorgd.’
Het was het seizoen van de uitstapjes. 's Anderendaags gingen mevrouw, meneer en de eerste verkoopster met enkele vrienden per rijtuig naar Haarlem: bij Halfweg zouden ze stilhouden om iets te drinken en dan gingen ze rechtdoor naar de Hout. De tweede verkoopster, die niet van de partij was, moest 's morgens drie hoeden opmaken, die ik dan in de namiddag zou bezorgen. Het was afgesproken dat we op de zaak zouden middageten.
De eerste kwam pas aangehold toen het rijtuig al voor de deur stond: de zweep klapte en ze gingen. De tweede verkoopster slaakte een weemoedige zucht; Corrie kon het allemaal niets schelen, voor haar was het hoofdzaak dat we boterhammen zouden krijgen met iets lekkers erop. En ik dacht: nou, er moet heel wat gebeuren als ik me vandaag moe wil maken... De tweede verkoopster vond goed dat Corrie uitkoos wat we op brood zouden eten.
‘En om vier uur trakteer ik op chocolade...’
Corrie verdween, zogenaamd om gekookt spek en leverworst te halen, maar ze kwam pas tegen het middaguur terug. De tweede verkoopster en ik gingen in het atelier aan het werk, waarbij ik heel dapper op de stoel van de eerste ging zitten.
‘Eerst handen wassen, Keetje, alsjeblieft, hè? en dan mag je helpen met de hoed van 't meisje van de visvrouw. Handen goed afdrogen, anders komen er vlekken op het lint. Goeie God, wat een lint heeft me dat mens gekozen - het kón niet opzichtiger!’
Ik straalde van geluk.
‘Mag ik de hoed nu opmaken, juffrouw? Ik ben klaar!’
Mijn handen waren zo goed gewassen en mijn nagels zo
schoon als maar mogelijk was.
‘Eerst de voering, en mooi gelijk opnaaien: steeds op hetzelfde strootje blijven.’
Zelf garneerde zij een dameshoed met een bos witte veren.
‘Nu, laat eens zien... niet slecht. Vandaag leer je meer van het vak dan anders in twee jaar.’
Zij knipte het lint af, dat om de bol moest.
‘Zó moet je het lint houden... nu afrollen, omwinden en vastzetten...’
Terwijl ik naaide, maakte zij de strik met lange lussen.
‘Zo, dat is dat... nu werk je dit stukje lint tot een chiffonnetje om de strik af te kleden, kun je dat? Goed, en waar zou je die nu zetten: van voren, van achter of opzij?’
‘Van voren is geen mode meer... van achter, dat is meer iets voor de dames; ik zou hem liefst opzij zetten, een tikje naar achter, en de roosjes niet al te dicht op elkaar, zodat ze 'n beetje dansen als ze loopt.’
‘Best, probeer het zo maar eens.’
Ik gaf al mijn aandacht aan het werk, mijn wangen gloeiden: ik was in de zevende hemel, ik was belángrijk en ik had dit werk voor alle moois van de wereld niet uit handen gegeven.
‘Wees voorzichtig, Keetje, je mag het lint alleen met de vingertoppen vasthouden of anders komen er kreukels in. Als je een hoed aflevert, moet het zijn of het garneersel er heel luchtig op geblazen is... en nu de roosjes, de knopjes dus een eindje van elkaar af.’
Zij bekeek de hoed van alle kanten.
‘Echt, Keetje, hij is zo heel goed. Ik begrijp mevrouw niet: je kunt hier prima op het atelier helpen en jullie zouden er allebei voordeel van hebben.’
Corrie bracht het eten niet boven, we moesten naar de keuken komen. Nu, er ontbrak niets aan: er was koffie en een grote stapel boterhammen, belegd met spek en leverworst.
‘Ik ben het wezen kopen in de Oudebrugsteeg...’
‘O, zo duur!’ riepen we.
‘Corrie,’ zei de tweede verkoopster, ‘Keetje moet de drie hoeden nu eerst wegbrengen. Pas jij intussen op de zaak? Ik moet even weg en kom zó terug.’
‘Natuurlijk zeg, voor die ene keer dat we van de baas en mevrouw en de eerste verkoopster geen last hebben... ik zorg dat de chocola om vier uur klaarstaat.’
De tweede verkoopster ging meteen weg. Zelf bestelde ik eerst de beide andere hoeden om zo lang mogelijk plezier te hebben van de hoed die ik zelf had gemaakt. Elke keer als ik de doos moest openen, nam ik hem er even uit om hem op mijn vinger rond te draaien, en vroeg ik aan de mensen die de andere hoeden hadden besteld hoe ze déze wel vonden. Tenslotte ging ik naar het steegje en klom de steile en donkere trap op, terwijl ik me aan het kabeltouw vasthield. De grootmoeder deed zelf open. God, wat een visstank hing daar! En dan te bedenken dat er volstrekt geen vis in de kamer zelf was - het luchtje hing zo sterk in haar kleren dat je het een uur in de wind kon ruiken.
‘Zo ben je daar... Aaltje, kom engeltje, de hoed is er! O, wat ziet-ie er mooi en fris uit! Het klinkt als een klok, ik kan niet anders zeggen.’
Het meisje zette zorgvuldig haar pop op de tafel - en wat voor pop: dat was een pop voor rijke mensen... Doodgemoedereerd bekeek zij de hoed van alle kanten. Haar grootmoeder zette hem op haar fletse haar.
‘Kind, wat staat-ie je goed! Wat ben je nu mooi! Dat fleurt je op, zo'n hoed, je ziet er meteen niet meer zo bleek uit.’
De kleine meid bekeek zich in de spiegel, eerst wat pruilerig, maar dan begon ze te lachen.
‘Zie je wel, hij bevalt je, dat kon niet anders! Een hoed van vijf gulden en uit een zaak waar alleen rijke mensen ko-
men, de mensen die bij mij hun vis laten halen. Ik ben heel tevreden, hij is echt geslaagd, werkelijk... Wil je een kopje thee hebben, met een balletje? Ja?’
Ze schonk me een kopje thee in en gaf me een balletje. Onder het drinken vroeg ik:
‘Dus u vindt de hoed aardig, u bent tevreden?’
‘Ja, hij is uitstekend, we hebben niet te klagen, kind. Nietwaar, Aaltje?’
‘Ja,’ zei Aaltje, ‘en de buren zullen ook meteen zien dat hij duur geweest is.’
‘Ja, en dat hij van een eersteklas zaak komt.’
‘Nou mevrouw, weet u wie hem gemaakt heeft? ík!’
De oude vrouw keek me verbijsterd aan en haar mondhoeken trokken naar omlaag. Het kind werd vuurrood.
‘Wat zeg je me daar, heb jíj die hoed gemaakt?’
‘Jíj?’ herhaalde het kind.
‘Ga ik daarvoor naar zo'n beroemd modehuis? Is mijn geld soms niet even goed als dat van de anderen, dat ze mijn bestelling maar door de jongste bediende in elkaar laten draaien?’
‘De jongste bediende!’ riep het kind nog eens.
‘Nou, voor míj hoeft het niet meer. Een hoed moet door de modiste zelf gemaakt worden. Hier, neem dat ding mee, en zeg maar dat ik direct nog voorbij zal komen... Vijf gulden, en dan in elkaar geflanst door een straatmeid!’
Ze smeet de hoed in de doos terug en duwde mij de deur uit.
Daar stond ik dan, ik kon hem terugbrengen. Wat moest ik zeggen? En ze hadden hem nog wel zo mooi gevonden en waren zo tevreden geweest... Als ze hem goed vonden, wat kon het hun dan schelen of ík de hoed had gemaakt of een ander? 't Was natuurlijk alleen omdat ik het loopkind was... Ik had gedacht dat alleen de rijken vonden dat alles wat van ons kwam, slecht lelijk was. Maar van een vrouw, die zelf
met vis stond, had ik wel beter verwacht... Net als bij vader: omdat hij maar één rijtuig en één paard had, gingen de mensen naar de grote stalhouderij aan de overkant en kreeg hij geen klanten; hij vond alleen vrachtjes door zelf de stad af te stropen... En toch, als hij 's avonds met het rijtuig terugkomt, geeft hij eerst het paard te eten en borstelt het, en pas daarna gaat hij zelf aan tafel. 's Morgens begint hij met het paard weer te verzorgen en wanneer dat staat te eten wast hij het rijtuig, poetst het koper en schudt de kussens op. Wanneer het paard voorgespannen is blinkt het hele rijtuig, het dier glanst, zijn manen golven om zijn nek; en de paarden en rijtuigen van de overkant zien er schunnig uit, zegt vader, en hij weet er wat van... Nu ja, zijn rijtuig is niet nieuw en het paard niet jong, maar zoals vader ze verzorgt zie je daar niets van. En tóch gaan de mensen naar de overkant...
Nu ken ik dat gevoel. Ik zit in hetzelfde schuitje. Die hoed is niet goed omdat ík hem heb gemaakt, de jongste bediende: nou, geloof maar niet dat je mij nog één keer de waarheid hoort spreken! Maar wat moet ik op de zaak zeggen? Mevrouw beweert dat ik niet kan liegen... voor één keer vergist ze zich dan: van mij komt niemand te weten wat er gebeurd is...
Maar nauwelijks zag ik de tweede verkoopster of ik brak in tranen uit en bekende alles.
‘Jij, stommeling die je bent! Nu zit ik met de gebakken peren. En wat zeg ik tegen dat wijf? O God, daar heb je haar al...’
‘Zo, dus u laat de hoeden die ik bestel maar door het loopkind maken. Dat staat u mooi! Geld dat van míj komt is zeker niet zo goed als dat van juffrouw Van Eeghen, hè?’
‘Ik begrijp u niet goed, mevrouw. De jongste bediende heeft niets anders dan de hoeden te bezorgen die wíj hebben opgemaakt; daar zijn we drie jaar voor in de leer geweest en
daar hebben we nog voor betaald op de koop toe. Als u het wilt weten, de hoed voor uw meisje is verzorgd door onze eerste modiste, voor ze met het rijtuig naar Haarlem vertrok. Keetje, geef de hoed eens aan.’
‘Maar dat kind beweert dat zij het zelf heeft gedaan.’
‘Ach mevrouw, kinderen bluffen maar wat, en deze helemáál; ze staat de hele dag te fantaseren en als mevrouw terugkomt zal ik zorgen dat ze de laan uitvliegt.’
Ze liet de hoed van alle kanten zien.
‘Kijkt u nu zelf, is dit het werk van een jongste bediende?’
‘O, als de eerste modiste hem zelf heeft opgemaakt, dan heb ik niets gezegd. Geef hem maar, ik betaal direkt en neem hem mee.’
‘Maar de hoed kan bezorgd worden, het loopkind 's ervoor, en voor niets anders.’
‘Nee, ik heb die meid niet nodig. Hier is het geld. Zie je wel, Aaltje, hij is door de modiste gemaakt.’
Ze vertrokken en prompt begon ik weer te snikken, want als de tweede verkoopster het geval zou overbrieven, zou ik natuurlijk worden ontslagen...
‘Hou toch op, malle, we zijn gered! Kom, wrijf je ogen droog, Corrie hoeft er niets van te weten, want die kan haar mond niet houden. Oef, wat een opwinding! En jij, gekke meid, onthoud dat je tegen niemand de waarheid moet spreken behalve tegen jezelf. Uitgemekkerd? Goed! Corrie! Is de chocolade nog niet klaar?’