We moesten verhuizen. Het ging niet langer met al die kinderen twee hoog vóór aan de Haarlemmerdijk: Klaasje was al eens bijna uit het raam gevallen en je kon geen voet verzetten door al het grut op de vloer. We gingen dus terug naar een slop bij het Weesperveld, waar wij drie jaar tevoren ook hadden gewoond: daar konden de kinderen tenminste veilig voor de deur spelen, of op de beboste wal bij de houtzaagmolen. Er woonden voor een deel nog dezelfde mensen, die blij waren ons terug te zien en zich verbaasden dat we zo groot waren geworden.
‘Mina is echt een jongedame, en Keetje is trouwens ook geen kind meer. En moet je Keetje's haren zien, ze zijn drie keer zo lang als toen jullie destijds zijn weggegaan - zo'n mooie slag zit erin, en wat zijn ze prachtig blond, 't lijkt wel mais... en haar nagels... ze is erg de hoogte in geschoten, maar alleen wat bleekjes. 't Duurt niet meer zo lang of ze is aan de lange rok toe.’
Fluisterend vroeg iemand iets aan moeder.
‘Nee,’ antwoordde zij, ‘ze is nog een kind.’
‘Nou en óf ze nog een kind is,’ voegde Mina eraan toe, ‘niet de moeite waard om er een woord aan vuil te maken.’
‘Díe? Daar zullen nog heel wat woordjes over vallen, die meid is de knapperd van de familie.’
‘Geloof maar niet dat ik me door háár de kaas van het brood laat eten, ze is nog een kind en de lange rok kan nog best een tijdje wachten. En dan die gele haren van dit wicht, nóu...’
Ze voltooide haar zin niet.
‘En wat voor werk gaat ze doen, nu ze al zo groot is? Die-
nen? Of naar 't fabriek?’
‘Nee, ik leer het modevak.’
‘Het modevak! Hoor háár!’ gilde Mina, ‘ze is gewoon loopmeisje bij een hoedenzaak.’
‘Ik heb laatst nog een hoed opgemaakt voor het kleindochtertje van een visverkoopster, en die was érg goed bevallen; jouw eigen zondagse hoed en de mijne en moeders neepjesmuts heb ik trouwens ook gemaakt. Ik geef het je te doen, al die plooitjes zetten...’
‘Evengoed, je bent niet echt in de leer: dat zijn alleen de meisjes die ervoor betalen.’
‘Nietes, ik leer ook: ik ben niet zoals jij, ik heb mijn ogen niet in mijn zak en ook niet zulke hannesvingers.’
‘Wat? Aap, met je hoerige haren, weet je wel dat alle hoeren hun haren zo bleken als jij ze hebt? Precies dezelfde kleur.’
‘Omdat ze die kleur mooier vinden dan hun eigen, en jij zou wát graag een van je gemene krentenoogjes missen om mijn kleur haar te hebben.’
‘Kreng dat je bent!’
Ze vloog op me af om me een pak rammel te geven, maar ik gooide mijn rechterbeen in de lucht en als ze niet achteruit was gesprongen had ze een slag onder haar kin gekregen. De buren meenden dat het tijd was om in te grijpen.
‘Altijd weer mijn gele haren, mijn spitse kin, mijn giraffenek, mijn benen als twee stelten, mijn hondegebit, ik ben het zat! Het zit me tot hier! Je hebt me een haarnetje aan willen praten om mijn haar te verbergen en je doet alles dat ik niet zal lachen en de mensen mijn tanden niet zien... En die giraffenek, nou, weet je dat in de boeken staat “een lange zwanehals”, een lánge, hoor je, omdat een lange hals mooi is, maar jij bent te stom om dat te weten, te stom, ja, dat ben je!’
Buiten mezelf van woede rende ik ons huis binnen en klom achter in de bedstee om te huilen en te jammeren dat
niemand van me hield en dat moeder mij altijd had laten jennen door die smerige lange sladood. Toen ik nog klein was en bij moeder in bed wilde wanneer vader 's nachts niet thuiskwam, tóen al gooide Mina mij eruit en kroop er zelf in. Als er een nieuwe jurk werd gekocht was die voor haar, en haar oude spullen werden dan vermaakt voor mij. Als wij naar school waren ging moeder met haar de stad in om etalages te bekijken en dan dronken ze koffie met suiker: als ik terugkwam, vond ik in de kommen nog de suikerrestjes, die ik oplikte. En nu ik van mijn zelfverdiende geld een mantel heb gekocht, moet ik die haar lenen omdat ze op bezoek gaat bij oom Maarten en daarna gaat ze natuurlijk met mijn goeie mantel door de Kalverstraat paraderen; dat de naden door haar dikke lijf bijna scheuren, kan haar niet schelen. En ondertussen kan ik de deur niet uit, of ik moet mijn oude sjaal omdoen...
Niemand kiest mijn partij, niemand houdt van me, ik wil hier weg, vér weg van hier... Maar als ze nog één keer waagt mij te slaan, trap ik d'r hart uit d'r donder... En moeder kijkt maar werkeloos toe, ze is bang aan 't worden. Vader moet niet veel van Mina hebben, hij zegt dat ze veel te lange tenen heeft.
‘Zal ík je wat zeggen?’ schreeuwde ik uit de bedstee, ‘je hebt veel te lange tenen!’
Ik lachte, stak mijn tong uit en liet mijn vuisten zien. Mina keek me verbluft aan, helemaal uit het lood geslagen door die weer opvlammende drift. Moeder mompelde iets tegen haar over mijn hoofdpijn en mijn heupen die altijd zeer deden.
‘Kom naar de kamer, Keetje,’ zei ze, ‘de koffie is klaar. Je hebt je zó opgewonden, dat heb ik nog nooit meegemaakt. Je hebt zeker erge pijn...’
Ik liet me uit de bedstee glijden en bleef even wachten om te zien wat Mina zou doen. Moeder strooide alleen in mijn
kommetje wat suiker.
‘Kom, jullie zijn zusjes, verdraag elkaar nou toch een beetje.’
Wij keken elkaar aan, maar nee, we wisten nu dat we van een ander slag waren. Nadien is er altijd iets tussen ons blijven hangen, en ze durfde mijn mantel ook niet meer aan te doen.