Het was nieuwjaar. Van mevrouw kreeg ik drie dubbeltjes, van de eerste verkoopster een oude rok waar ik een jurkje van mocht naaien, en van de tweede een handvol van de bonbons die ze zelf van iemand had gekregen. Corrie had me stiekem een glas cognac met suiker ingeschonken. Desondanks voelde ik me beroerd: sinds kort was ik diep ongelukkig (ik wist zelf niet waarom) en probeerde ik zoveel mogelijk alleen te zijn om te kunnen huilen. En iedereen was altijd zo onrechtvaardig tegen me: vooral thuis leek het of ik er niet bij hoorde en moeder uitgezonderd lieten ze me steeds meer links liggen... Voor Mina was ik een voorwerp, een ding, dat je van de ene hoek in de andere smijt. Nu ja, zij was nu eenmaal niet anders: ze was lui, smerig, ordinair en brutaal, en nog lelijk op de koop toe... Moeder, ja, die was zonder twijfel erg op me gesteld, en toch kon ik haar niet vertellen dat ik de hele tijd zat te huilen, dat ik een prop in mijn buik had zitten en er hevige rillingen door me heengingen... en zo'n raar gevoel soms, net alsof jongens mij omarmden, maar veel sterker, zo dat het pijn deed. Bij Corrie wilde ik ook geen raad vragen en bij Rika al helemáál niet. Als ik maar íemand had om mee te praten, maar ik hád niemand, ik was alleen op de wereld...
Corrie kwam de trap af, naar de keuken. Ik wiste vlug mijn ogen af en ging door met het schillen van appels.
‘Kee, zou je mij een plezier willen doen?’
‘Wat dan?’
‘Ik heb mevrouw gevraagd of ik even bij mij thuis nieuwjaar mocht wensen, maar omdat de joodse commensaal ziek is moet hij zijn thee straks op bed hebben, dus het kon niet,
zei ze, behalve als jij hem zijn thee wou brengen. Ik zal alles klaarzetten en doe de thee vast in de pot, dan hoef je enkel heet water op te gieten.’
‘Ja, dat is goed, daar kom ik wel voor terug. Wie zijn er verder nog thuis?’
‘Niemand, meneer en mevrouw gaan naar haar ouders; zij blijft daar en meneer doet intussen de nieuwjaarsvisites. Niet erg?’
‘Nee hoor.’
Ze gaf me een plak peperkoek en weer een bodempje cognac. Daarna liep ze vlug naar meneer en mevrouw om te zeggen dat ik 's middags terug zou komen. Thuis vertelde ik onder het eten dat ik die middag moest werken.
Wat een vooruitzicht - de hele middag alleen, heerlijk alleen! Toen ik aankwam waren meneer en mevrouw al weg en Corrie stond klaar om te vertrekken.
‘Zorg voor de thee van de jood en neem om vier uur maar een paar boterhammen!’ riep ze, en glipte de deur uit.
Alleen in huis, op de joodse commensaal na! Wat zou ik doen? Mijn benen waren slap en de zwaarte in mijn buik zat me vreselijk dwars. Maar als ik eens ging lezen, natuurlijk in Woutertje Pieterse...
Ik klom de trap op en in de ijskoude woonkamer las ik het boek tot het einde, al leek het mij niet af. Alle romans eindigen met een sterfbed of met het geluk, maar het verhaal van mijn Wouter niet...
Het was half vier, tijd om water op te zetten voor de thee. Onder het afdalen van de trap moest ik me goed aan de leuning vasthouden, zo'n last had ik van de prop in mijn buik en mijn gammele benen. Ik maakte thee, schonk een grote kop voor mezelf in, goot nog wat water op en bracht het theeblad naar boven, waar ik het op de tafel zette. De jood bedankte me vriendelijk.
Toen ik mijn eigen kop leeghad, steeg het bloed mij naar
de wangen. Het snoer van mijn rok leek mijn middel wel af te knijpen en ik moest mijn kleren uitdoen. Als ik nu maar even kon liggen... Er kwam een moeheid over me, die wel pijn deed maar ook iets van strelen had. Ik rekte me uit - o, eventjes gaan liggen en iets warms over mijn voeten doen...
Ik klom in Corrie's bedstee. Terwijl ik mijn onderkleren ook uitdeed, zag ik twee druppels bloed op mijn hemd en schrok daar heftig van. Dus dat enge, dat vieze, overkwam mij nu ook, en ik had nooit rare spelletjes gedaan met jongens... Wat zou moeder wel zeggen? Alles komt tegelijk: Wouter is weg, ik verlies bloed... en waarvoor?
Opeens hoorde ik iemand lopen. Het was meneer.
Hij kwam in zijn overjas de keuken in, inspecteerde die vluchtig en keek maar heel even naar de bedstee. Toen vertrok hij.
Even later was hij terug en sprong met zijn volle lengte boven op me, hij was compleet naakt. Gillen kon ik niet, hij perste zijn mond op de mijne; met zijn handen zat hij onder mijn lichaam te wroeten om mijn benen vrij te maken en toen drukte hij zich bij mij naar binnen... een pijn! een pijn! ik dacht dat ik vermoord werd, en hij gromde als een uitgehongerde hond bij een bot; ik probeerde me onder hem uit te wringen maar het ging niet, hij was mijn buik binnen door mijn plassertje. Het was - ik weet niet, ik trilde als een espeblad tot zelfs aan mijn tepeltjes van niks, waar hij met zijn naakte lichaam overheen schoof.
Toen liet hij me los. Hij bekeek onze lichamen.
‘Zo zo,’ zei hij, ‘pas gaat het roosje open of het wordt geplukt.’
Hij lachte.
Ik was verdoofd, ik was versteend en vroeg me een ogenblik af of hij iets uit mijn buik had gehaald, zo gedeukt voelde ik me. Ik begon te schokken van de hete koorts, mijn huid brandde en ik kon mijn gedachten onmogelijk bij el-
kaar houden.
Corrie kwam laat terug.
‘Wat nou? Lig je in mijn bed? schaam je je niet? eruit!’
Ik kwam overeind. Ze zag, mijn bevlekte hemd.
‘Ach, is 't je net op nieuwjaarsdag overkomen... nu ja, dan is het tenminste gebeurd en hoef je niet meer te grienen, want ik heb best gezien dat je steeds in een hoekje wou kruipen om te huilen.’
Ik ging door de jodenbuurt naar huis, klappertandend in de avondkou, verkreukeld, met als enige gedachte: ik zou Wouter nooit meer onder ogen durven komen...