terug  begin  verderprepost
[p. 77]

Tippelen

‘Keetje, kind, de kleintjes zijn al twee dagen niet meer naar school geweest, dat kán ook niet, zonder eten... zou je niet...?’

‘Ach God,’ zuchtte ik.

Ik stond van mijn oude canapé op en trok het tippelkostuum van de kapstok, dat een meisje dat aan de tering gestorven was eens bij ons had achtergelaten. Ik wrong me in de schoenen met onmogelijk hoge hakken, de jurk met stroken en sleep, deed wat zwart onder mijn ogen, nam wangenrood en trok een dikke baan rood op mijn lippen. Mijn haar moest ik opbinden om er wat ouder uit te zien, want de verhuursters van de rendez-vous-huizen joegen me uit angst voor de politie weg wanneer ze aan m'n snuitje zagen dat ik pas zestien was. Hoed en sjaal had ik niet.

Terwijl ik me opdofte gluurde ik naar moeder. Zou ze meekomen? Alleen ging ik niet, voor niets ter wereld...

Bij de deur keerde ik mij om en keek haar aan. Ze zei geen woord, maar zette haar muts op en legde haar omslagdoek over de schouders.

Terwijl we naar het centrum wandelden bekeek ik haar tersluiks en dacht: kijk, moeder gaat mee, zo'n moeder zul je maar hebben. Straks volgt ze me weer op de voet, staat stil voor dezelfde etalages en als iemand me aanspreekt doet ze nadrukkelijk of ze mij niet kent; word ik door een man gevolgd dan trapt ze gewoon op mijn hielen zodat hij meteen merkt dat ze bij me hoort; en bij de kamerverhuursters blijft ze gewoon op de stoep staan tot ik naar buiten kom. Walgelijk is het... en ik zette zo'n vaart dat ze begon te hijgen.

‘Keetje, hé zeg...’

[p. 78]

‘Wat doe je hier dan? Ga weg, je zit me tot híer!’

En ik rende door. Maar al gauw keerde ik om - verbeeld je dat ze was teruggegaan en mij alleen had gelaten! Mijn ogen zochten haar voor de uitstalramen van de gore winkels en vonden haar uiteindelijk terug, verloren, spiedend of ze mij ergens kon ontdekken... Zou ze helemaal niet meer beseffen dat ze iets monsterachtigs deed? God wat haatte ik dat mens, wat verachtte ik haar... maar ik bleef wel op haar wachten.

‘Keetje, Keetje,’ hijgde ze en veegde met haar hand het zweet van haar voorhoofd.

‘Waarom loopt u ook zo pal naast me als ik de hoer moet spelen? Waar is dat voor nodig - bent ú een moeder? Nou, mooi hoor!’

Zij keek me scherp aan en heftig met de ogen knipperend, leek ze ineen te schrompelen; het was of ze mij wilde strelen maar niet durfde.

In het centrum stuurde ik haar weer weg maar fluisterde haar metten toe dat ze niet té ver mocht achterblijven; beangstigd door het werk dat mij wachtte, klemde ik haar hand vast: ‘U hoort het, hè, niet te ver!’

En de lijdensweg van gluren en lokken begon.

 

Na afloop was alle trots en eigendunk weg. Moeder moest me ondersteunen en leidde mij als een blinde langs de dichte winkels.

‘O moeder, ik kán niet meer, die schoenen, die hakken, ik kóm er niet meer op vooruit! Mijn tenen... mijn zij... elke stap die ik zo op het puntje van mijn voeten moet maken bezorgt me een steek in m'n zij... als ik de schoenen uitdeed...’

‘Nee meiske, je zou in een glasscherf kunnen trappen. Kom, we gaan even op een stoep uitrusten.’

‘Ik val er gewoon bij neer... vijf uur, vijf uur hebben we

[p. 79]

gelopen...’

‘Morgen mag je de hele ochtend in bed blijven. Kom, nog even de tanden op elkaar, daarginds is nog een winkel open, ik haal er wat te eten en thuis kook ik koffie voor je.’

Mijn jurk sleepte door het straatvuil, ik wreef mijn rouge weg en bleef zwaar op moeder leunen terwijl ik met mijn vrije hand op de vensterbanken steunde. Ik sprak met geen woord over wat ik met de onbekende mannen had meegemaakt of over mijn aandrift om ze in hun gezicht uit te schelden als ik mij aan ze moest overleveren, over de woede waarmee ik ze zou kunnen afranselen wanneer ze mijn lichaam vernederden... Maar een eigenaardige soort kiesheid die tussen moeder en mij bestond, heeft mij steeds belet daar ook maar iets over te zeggen.

Bij ons huis fluisterde ze: ‘We gaan heel zachtjes de trap op, dat de kinderen niet wakker worden.’

Ik viel op de canapé. Moeder maakte vuur en zette water op, daarna trok ze mijn schoenen uit en maakte de kousen wat losser.

‘O, mijn voeten, een píjn...’

Ze kleedde mij uit en legde mij onder de dekens.

‘Direkt krijg je koffie.’

En ze keerde terug met een volle kop, een ei en wat brood; ze zag toe dat ik het opmaakte en dacht niet aan zichzelf.

‘Zo kindje, zul je nu slapen?’

Ze stopte mij nog eens toe en spreidde haar omslagdoek over het voeteneinde uit.

Slapen - dat was makkelijk gezegd. De walging van de afgelopen uren woelde nog in mij rond, ik kon niet stil blijven liggen en wierp me heen en weer in machteloze opstandigheid.

‘Kom liefje, slaap nu, morgen krijg je nog een kop heerlijke koffie en dan zal ik je de kaart leggen. Rustig nu, het is

[p. 80]

allemaal voorbij.’

En ik sliep in. Maar ik was zo bleek en onrustig geweest, vertelde ze mij de volgende dag, dat ze de hele nacht door steeds was opgestaan om naar mij te kijken. Toen ik wakker werd, stond ze over me heengebogen.

‘Ah, ben je wakker!’

Ze bracht warme koffie met boterhammen en weer een ei; ze hield het kopje voor me vast en stopte een kussen in mijn rug.

‘Kom, ik zal je de kaart leggen.’

Ze spreidde de kaarten over mijn knieën.

‘Zeven - een brief... zeven - met goed nieuws... zeven - een jongeman met bruin haar die...’

‘Ik moet niets van mannen met bruin haar hebben, bah! Van niet één enkele; weg ermee!’

En een ruk van mijn knieën wierp de kaarten op de grond.

‘Jij met je domme gedoe; een brief, nou, die zal wel van de huisbaas zijn, en de bruine jongeman is natuurlijk zo'n ploert van 'n deurwaarder. En voor die kletskoek laat jij je werk liggen, en je gelooft er nog in ook! Wat een moeder! Inplaats dat je voor het eten van de kleintjes zorgt...!’

Ik sprong van bed. Moeders oogleden knipperden, haar blik smeekte, maar nee, alle walging en alle weerzin was in mij teruggestort en er was de hele dag geen land meer met mij te bezeilen.

prepostterug  begin  verder