Het was tweede helft november. Ik dwaalde door de benedenstad, moeder op tien pas achter mij, en als ik meende dat een man zin in mij had, wandelde ik een zijstraat in, hopend dat hij me zou volgen. Nu en dan, als ik voor het uitstalraam van een banketbakker bleef kijken, voegde moeder zich bij me en wezen wij elkaar op de koeken die er lagen: vierkante, ronde en koeken in hartvorm, vaak overtrokken met witte of roze suiker en met als gouden opschrift ‘Catharina’, omdat haar feest voor de deur stond.
‘Wat heb ik eraan dat ik Catharina heet,’ zei moeder, ‘zoiets krijg ik tóch nooit op mijn naamdag... wat zouden de kleintjes wel zeggen, Keetje, als we allebei met een stapel koeken bovenkwamen?’
‘Het is geen weer, je ziet bijna geen mens op straat met die natte sneeuw,’ zei ik klappertandend, ‘het wordt niets vanavond.’
Maar lijdzaam begon ik weer rond te wandelen. In de Slachtersstraat werd ik aangesproken door een man, een Waal, die ik amper kon verstaan.
‘Ga mee, kleintje, blijf vannacht bij me slapen.’
‘De hele nacht? Dat kost tien frank...’
‘Goed. Kom maar.’
Ik volgde hem naar een straatje in de oude stad. Ik had moeder willen waarschuwen dat het voor de hele nacht zou wezen, maar ik kreeg er de kans niet voor.
Hij bracht me in het donker over een achtererfje naar binnen. Daar deed hij een lamp aan en wij bleken ons in een kleine slaapkamer met een groot bed te bevinden; hij gaf me twee vijffrankstukken, die ik in mijn zakdoek knoopte.
Zonder voorspel nam hij me, het ging op 't werktuiglijke af, alsof 't voor hem net zo'n corvée was als voor mij. Daarna begroef hij zijn gezicht in mijn kussen. We spraken geen woord. Toen wentelde hij zich op zijn rug; zijn blik bleef hangen op de foto die aan het voeteneinde hing en een vrouw voorstelde, een dikke Vlaamse burgertante die ons hing toe te lachen. Toen de man zag dat ik zijn blik volgde, zei hij:
‘Mijn vrouw.’
En in het Marollen-dialekt voegde hij eraan toe:
‘Z'is duud...’
En hij verstopte zijn gezicht weer in het kussen.
Kort nadien stond hij op, stak zijn benen in zijn broek en gaf me te verstaan dat ik ook het bed uit moest; hij maakte daarbij een gebaar van eten. Ik legde mijn doorweekte ulster om mijn schouders en trok mijn rijgschoenen aan. Hij bracht me langs een donkere trap naar de kelder en zei me daar te wachten; ik hoorde hem een lucifer aanstrijken en toen begon een petroleumlampje te gloeien.
Wij waren in een kelderkeuken. Hij wees me een stoel, nam een schotel met vlees in gestolde sju, sneed wat brood af, wipte een fles bier open, en wij aten. Het was heerlijk, en elke keer als hij merkte dat ik alles alweer op had, sneed hij een nieuw stuk brood voor me af en legde hij weer een stukje vlees op mijn bord. Hij zag wel dat ik het eten naar binnen schrokte, maar zei er niets van. Toen nam hij het lampje en gingen wij weer de trap op. Hij legde een vinger op de lippen en fluisterde:
‘Sssst - de meid slaapt...’
Hij bracht me op de bovenverdieping in een grote kamer waar de muren helemaal uit kastjes en laden bestonden, evenals de paar meubelstukken die er waren. Van één der meubels trok hij de laden open en ik kon een kreet van verrassing niet onderdrukken: ze waren tot de rand gevuld met
de prachtigste kunstbloemen.
‘Fabrikant,’ zei hij, op zijn borst tikkend.
Hij opende nog meer laden; daar puilden rozenguirlanden uit, tuiltjes anjelieren, buikige camelia's (de namen leerde ik pas later op de Brusselse bloemenmarkt), breedgerande bloemen met een glazen dauwdruppel in het hart en op de bladen, en trossen groen waar wat grijs overheen was gelegd.
De man ging door, neerslachtig de laden voor mij te openen en in verrukking liet ik de vingertoppen van bloem naar bloem springen. Opeens slaakte ik weer een kreet van bewondering: in de la die hij nu uittrok, lagen slingers witsatijnen bloemen met bladranden en hartjes van roze, rood en lichtpaars - de mooiste bloemen, vond ik, van allemaal.
‘Kies er maar een uit.’
Ik nam een slingertje met lichtpaars.
‘Windekelken,’ zei hij, de bloemen in zijdepapier wikkelend.
Wij gingen terug in bed en hij beduidde me dat ik kon slapen, wat hij zelf toen ook deed. Het was nog nacht toen hij me weer wakker schudde en op mijn kleren wees. Ik kleedde mij aan en hij bracht me tot de voordeur, zeggend: ‘Het is zo tijd voor de werklui.’ Zachtjes sloot hij de deur achter me.
Ik wist niet zo nauwkeurig waar ik mij bevond; de straat liep heel steil op en door de ijzel gleed ik steeds weer naar achter, terwijl de ijssplinters die door de kille mist ontstonden, mij tegen het gezicht woeien. Ik bereikte tenslotte de Grote Markt, vanwaar ik de weg naar huis wel wist. Onderweg kocht ik wat etenswaar in de eerste winkel die ik open zag, en 't was nog maar zes uur toen ik thuiskwam.
‘Goddank,’ riep moeder, ‘kínd, wat ben ik ongerust geweest! Tot twee uur heb ik voor dat huis staan wachten - als ik je had horen roepen, had ik de hele buurt bij elkaar geschreeuwd... Heb je geld?’
Ik gaf haar acht frank, twee had ik er voor het eten uitgegeven.
‘En ik heb nog stoffen bloemen gekregen.’
Ik liet de windekelken zien.
‘Zie je maar weer hoe eenvoudig alles is,’ zei vader. ‘We hebben allemaal te eten, jij kunt de hele dag blijven slapen als je dat wilt, en uitgaan met mooie blommen op je hoed...’
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken; hij zag het en hield zijn mond verder.
De kleintjes slokten het eten naar binnen, op hun strozak gehurkt. Moeder pakte een paar sneetjes in voor Hein, die naar zijn werk moest; ze gaf hem een kop vol gloeiende koffie die hij staande opdronk, na hem te hebben afgekoeld door hem in het schoteltje te gieten. Zelf kreeg ik ook een kopje; toen schoof ik een stoel voor het raam om mijn miserabele hoedje met de windekelken op te sieren.