terug  begin  verderprepost
[p. 85]

Hein heeft een meisje

Hein, zestien jaar nu, was in de leer bij een rijtuigmaker. Al sinds de lente had hij me vlugger en netter geleken, en dat zijn ogen groter waren geworden, was zeker. 's Avonds als hij van zijn werk thuiskwam sloeg hij vlug zijn eten naar binnen, hij verzorgde zijn uiterlijk een beetje en verdween. En op zondag wies hij zich zorgvuldig schoon, deed hij pommade in zijn haar en stond hij eindeloos aan zijn ellendige dasje te plukken, dat hij maar nooit zó kon knopen als hij wilde; hij kwam in de namiddag te laat voor het eten. Doordat het werk in huis praktisch helemaal door mij geregeld moest worden, ging de verandering in Heins gedrag een beetje aan me voorbij; maar toen hij op de zomerzondagen zijn brood ingepakt wou hebben om naar buiten te gaan en hij inplaats van vijftig centiem zakgeld vijfenzeventig vroeg, sprak ik er met moeder over. Zij vertelde mij op nogal zorgelijke toon dat Hein verliefd was op een meisje van vijftien; in de laatste tijd had ze gehoest en daarom moest ze 's zondags in de frisse lucht.

‘Door de week kan ze niet, dan moet ze werken. Haar moeder is weduwe en samen maken ze babyschoentjes voor de kost; werkelijk zúlke lieve schoentjes van wit leer en satijn, daar heb je geen idee van. Ze maken ze bij dozijnen, maar hebben de hele week dan ook geen tijd om te verzitten, net als toen ik nog kant kloste. Ze bewonen één achterkamertje, want het werk mag nog zo leuk zijn, het brengt bijna niets in het laatje.’

‘Hoe weet je dat zo goed? Heeft Hein het verteld?’

‘Nee, die zegt bijna geen woord, hij is te bang dat we hem uitlachen. De moeder van het meisje is het wezen vertellen.

[p. 86]

Het kind hoest al maanden en de dokter zegt dat ze buitenlucht moet hebben, maar wat kun je daaraan doen? Ze moeten toch leven! Zondagsmorgens vroeg gaan ze naar buiten en nemen ze hun brood mee, maar het meisje wil niet meer zonder Hein. Toen is de moeder mij komen vragen of mijn zoon mee mocht; ze zei dat er niks op hun te zeggen was en dat de gezondheid van haar kind er van afhing. En omdat ze net zo arm zijn als wij, neemt hij zijn eigen brood mee. Ze heeft me thuis op de koffie verzocht, en zo hebben we wat beter kennis gemaakt.’

‘En daar heb je me niets van verteld?’

‘Ach, jij hebt nooit tijd om eens te babbelen, zodra je klaar bent met werken neem je een boek en je begraaft je daarin.’

Van de zondagen die Hein op het land doorbracht kwam hij stralend terug. Meestal was hij tegen achten thuis, helemaal roze in zijn gezicht en het leek dan of de kamer iets van de geur van de velden kreeg. Hij ging daarna niet meer het huis uit. Vaak bleef hij de rest van de avond zitten dromen, hij glimlachte en bewoog de lippen; klaarblijkelijk vroeg hij het meisje allerlei dingen en hoorde hij ook haar antwoord. Andere keren nam hij een totaal beduimeld schrift en tekende rijtuigen, karretjes en locomotieven.

Op een avond dat we alleen thuis waren, ging ik op hem toe om naar zijn tekenen te kijken.

‘Je gaat vooruit, Hein, maar je werkt ook hard.’

‘Als ik mijn vak goed wil leren moet ik ook weten hoe alles in elkaar zit en een knap rijtuig is niet zo makkelijk. D'r zit een hele techniek in, hè, en dat wil geleerd zijn. Ik wil geen lamhandje wezen en als ik trouw moet ik voor mijn gezin kunnen zorgen.’

‘Je bent gek, jongen, je bent pas zestien.’

‘Het is voor later,’ lachte hij, ‘maar ik moet het nú al leren. Dacht je dat ik mijn kinderen in honger en armoe groot

[p. 87]

wou brengen, zoals wijzelf?’

‘Dat was niet omdat vader z'n vak niet verstond, maar omdat wij met teveel zijn. Negen kinderen, dat is belachelijk!’

‘Ja, maar als je getrouwd bent en je van je vrouw houdt?’

Hij bloosde en boog zich over zijn werk, ik voelde dat hij trilde. Toen keek hij me aan.

‘Wat kun je eraan doen, dat je zoveel kinderen krijgt? Zónder kinderen wil ik niet.’

Hij keek me zo open aan, hij leek me zo rein, zo onbedorven, dat ik zweeg en me voor mijn broer schaamde om wat ik wist.

 

Op een avond riep hij: ‘Ja, nu heb ik het!’

‘Wat heb je?’

‘Kijk maar.’ En hij liet me zijn tekening zien. ‘Je hebt vier man nodig om de ijzeren band rond een wiel aan te brengen, maar met dit apparaat waar ik al een hele tijd naar gezocht heb, is er nog maar één nodig. Ik zal het de baas laten zien.’

 

Toen ik op een zondag een marineblauwe dasstrik omdeed, zei hij me opeens: ‘Dat, dat is een mannendas, die zou mij veel beter staan dan jou. De mijne is gewoon een touwtje.’

‘Best, maar wat moet ik dan?’

‘Je hebt toch nog een speld.’

‘Dat is waar. Kom, ik zal je de das omknopen.’

Toen ik de knoop had gelegd ging hij voor het spiegeltje staan en bekeek vol trots de dubbele knoop onder zijn rafelige kraag.

‘Vind je niet dat ik een onmogelijk lange hals heb?’

‘Nee hoor, een lange hals, dat is juist mooi.’

‘O, is het mooi... dat wist ik niet.’

[p. 88]

De hele zomer door beleefde Hein een paradijs op aarde. Wij waren elkaar veel nader gekomen: onze zondagavonden wanneer ik las en hij tekende, waren heerlijk. Hij had lange fijne handen en smalle polsen, maar ze waren zo sterk en snel dat hij er alles mee zou kunnen doen.

Tegen de herfst werd hij neerslachtig.

‘Vertel me eens,’ zei ik hem op een avond, ‘er is iets.’

‘Zij hoest veel erger,’ antwoordde hij en begon te snikken, ‘en het weer wordt te slecht om naar buiten te gaan.’

In de winter moesten ze haar naar het ziekenhuis brengen. Hein ging er alle zondagen heen en als hij terugkeerde voelde hij zich belabberd. Het meisje overleed tegen het voorjaar. Na de begrafenis sloot Hein zich op in het kamertje waar mijn oude canapé stond; we hoorden hem zuchten en snikken als een klein meisje.

prepostterug  begin  verder